Componeren zonder nodeloos machtsvertoon

AMSTERDAM, 5 okt. 'Het is tegenwoordig bijna niet meer mogelijk om met muziek te choqueren, ' zei componist Otto Ketting (56) vorig jaar tijdens een lezing. Alles is volgens Ketting al eens gedaan en alles mag. Dus experimenteert de componist niet meer, zoals in Collage nr.9 (1963), ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Concertgebouworkest, met de luisterconventies van het publiek, maar met de traditie. Geen muziek meer die al begonnen is voordat de dirigent op het podium staat, een soort anti-jubileum stuk waarin het de bedoeling was dat blazers en strijkers op het podium een klaverjastoernooi zouden organiseren, maar een 'ouderwetse' symfonie in drie delen.

Otto Kettings Symfonie nr.3, geschreven in opdracht van de Vara-matinee, gaat morgenmiddag in premiere bij het Radio Philharmonisch Orkest, onder leiding van de componist zelf. De twee oudere symfonieen (de Eerste uit 1959 en de Symfonie voor saxofoons en orkest uit 1978) zijn minder traditioneel. Ketting: 'In de eerste had ik het gevoel dat ik de wereld op zijn kop zette. Wat in zekere zin ook wel zo was. Niemand in Nederland werd door Alban Berg beinvloed, iedereen 'Pijperde'. De tweede is een rouwdouwer-stuk, dat maar doordendert.'

Imiddels wil Otto Ketting de consequenties trekken uit het feit dat de klank van het symfonie-orkest uit de negentiende eeuw komt. 'Daardoor word je automatisch naar de traditie getrokken', zegt Ketting. 'Ik had natuurlijk kunnen besluiten allerlei instrumenten weg te laten: dat is een oplossing die tien jaar geleden in zo'n geval zou zijn gekozen. Maar dat is te flauw. Met de titel 'symfonie' wil ik juist de reflectie op de traditie benadrukken.'

Het middendeel, het Adagio, is een aangepaste versie van een werk dat Ketting eerder schreef voor het Kondrasjin Concours. Fragmenten daaruit vormen tevens de basis voor het eerste en laatste deel van het nieuwe werk. Ketting: 'Ik heb het tweede deel aangepast aan het grotere geheel van de symfonie, bij voorbeeld door de vioollijn door te trekken over de delen heen. Aanvankelijk wilde ik zelfs een melodische lijn over het hele stuk leggen, maar dat werkte niet. In het eerste deel zijn wel aanzetten daartoe te vinden, maar daarna krijgt de harmonie de overhand. In het derde deel is de melodie teruggebracht tot zijn oervorm: toonladders. Ik zoek naar een bepaalde tonaliteit, dat is een gevecht dat ik nu al jaren lever.'

In het spel met de traditie past ook Kettings keuze om af te zien van de 'horden slagwerk' die in veel hedendaagse muziek gebruikelijk zijn. Ook vermijdt hij, zoals hij dat noemt, machtsvertoon: 'Dat wil zeggen dat ik in het eerste deel geen enkel tutti gebruik. Ik streef naar een nuchtere en eenvoudige orkestkleur. De instrumenten zijn nauwkeurig getypecast en zitten vast aan hun eigen muzikale gegevens. Op die manier probeer ik de noten zo duidelijk mogelijk te laten spreken. Ik wil niks maskeren met ruisklanken of enorme clusters. Dat is het allermoeilijkste: om in deze tijd de goede noten te vinden.'

    • Paul Luttikhuis
    • Morgenmiddag gaat in het Amsterdamse Concertgebouw de Symfonie nr.3 van Otto Ketting in premiere. Het is de eerste van tien compositie-opdrachten die de Vara-matinee ter gelegenheid van haar dertigste seizoen heeft verstrekt