Boze mannen; Gerrit Krol over straffen

In het essay Voor wie kwaad wil, een uitwerking van zijn lezing in de reeks Brandende Kwesties van de SLAA, gaat de schrijver Gerrit Krol in op het strafklimaat in Nederland. Wat hij daar precies van vindt is niet zeker. Het 59 bladzijden tellende boekje bevat veel losse, en niet altijd even consistente observaties en overpeinzingen over misdaad en straf, maar een duidelijke conclusie ontbreekt. Waarschijnlijk geven Krols opmerkingen op bladzijde 42 nog het duidelijkst aan wat hij zou willen veranderen. Hij schrijft daar: 'Met een te milde straf is de misdadiger bijna terug in de toestand van voor de aanklacht: een man die de sterkste was ten koste van iemand die de zwakste bleek.' Je mag hier uit afleiden dat hij ons strafklimaat te mild vindt. Krol wil waarschijnlijk dat er harder tegen misdadigers wordt opgetreden.

In de visie van Krol krijgen slachtoffers van delicten na het misdrijf vaak nog een tweede klap te verduren: de vernedering door het strafrecht. Krol vindt dat de misdadigers degenen zijn die met het kwaad zijn begonnen en hij vindt het daarom redelijk om met forse maatregelen terug te slaan.

Het meest precair wordt deze opvatting natuurlijk wanneer het om moordenaars gaat. Mag je moordenaars de doodstraf geven? Ook hoe Krol over een dergelijke zware straf denkt, blijft enigszins in het duister, al schrijft hij op een gegeven moment wel dat de toepassing van deze straf bespreekbaar moet zijn. Als voordeel van de doodstraf noemt hij dat het lot van de slachtoffers daardoor 'iets makkelijker te dragen' is.

Je kunt Gerrit Krol niet verwijten dat hij geen lef heeft. Uit enquetes is weliswaar bekend dat veel mensen in Nederland onder bepaalde omstandigheden voor de doodstraf zijn, maar afgezien van een enkele geschifte justitie-ambtenaar is het de laatste eeuw bijna niet voorgekomen dat iemand de argumenten voor een dergelijke reactie op papier durfde te zetten.

Dat wil niet zeggen dat de argumenten ook deugdelijk zijn. Krol heeft zich kennelijk niet erg lang in het onderwerp verdiept. Anders zou hij weten dat veel slachtoffers weliswaar willen dat er iets met 'hun' misdadiger wordt gedaan, maar na het bekoelen van de emoties zelden letterlijk bloed willen zien. De mensen die alle ellende van horen zeggen hebben, zijn meestal wraaklustiger. Krols idee dat een extra lijk het leed verzacht is nergens op gebaseerd.

Het is niet de enige plaats waar Krol laat merken slecht in het onderwerp thuis te zijn. Zijn essay wemelt goedbeschouwd van de wereldvreemde constateringen. Steeds weer heeft hij het over 'de misdadiger' en 'het slachtoffer', zonder dat je ook maar een keer de indruk krijgt dat Krol zelf wel eens een misdadiger of een slachtoffer van dichtbij heeft gezien. Zijn misdadigers zijn eerder ideaaltypen, boze mannen zonder God of gebod, pionnen die tot taak hebben een originele redenering sluitend te maken.

Een dergelijk procede kon in sommige vroegere boeken van Krol aardige effecten hebben, bijvoorbeeld wanneer hij eindeloos over 'de man' en 'de vrouw' schreef en over hun samengaan. Maar nu het wordt toegepast in een redenering over niets minder dan het ophangen of onthoofden van mensen, klinkt het aanzienlijk minder leuk.

Het grootste manco in Krols 'Bespiegelingen over de doodstraf', zoals de ondertitel luidt, is misschien wel dat hij geen enkel onderscheid maakt tussen wat individuele mensen willen en doen en wat een staat mag doen. Krol heeft het in zijn boekje geregeld over 'we', maar wat hij daarmee bedoelt is de overheid: het complex van politie, justitie, rechters en gevangeniswezen, plus dan nog misschien de beulen.

Gelukkig is de overheid in Nederland iets anders dan 'wij'. In ons staatsbestel heeft de overheid goddank een zeer terughoudende rol gekregen. Wanneer wij een vervelend iemand uit woede een klap zouden willen geven, wil dat niet zeggen dat de overheid dat ook moet doen. Waar wij iemand die iets naars heeft meegemaakt de gelegenheid zouden willen geven om uit te huilen, daar hoeft de overheid dat nog niet. Wanneer wij in onze eenvoud stereotypen van misdadigers hanteren, wil dat nog niet zeggen dat de overheid dat ook mag.

Gelukkig dat schrijvers in Nederland niet, zoals in Praag, tot hoge posten worden geroepen. Het zou voor onze misdadigers, en dat zijn we vroeg of laat bijna allemaal, een ramp zijn.

    • Reinjan Muldergerrit Krol