SER: een monument uit de jaren vijftig

DEN HAAG, 4 okt. Het moest tien jaar geleden het 'instituut voor de jaren tachtig worden', maar het bleef 'het monument uit de jaren vijftig'. Veertig jaar oud en al meer dan de helft van die tijd omstreden: de Sociaal Economische Raad.

Is het een achterhaald neo-corporatistisch instituut, wat de kritici beweren, of niet meer dan een uiting van dat typische Nederlandse familiegevoel dat wordt gekenmerkt door een bijzondere aanleg voor tijdloos praten, zoals de in de Verenigde Staten woonachtige Nederlandse econoom A. Klamer in een vandaag verschenen boek 'Verzuilde dromen' over de Ser beweert.

Omstreden of niet, de Ser viert feest. Vandaag wordt in de Ridderzaal, op prinsjesdag het domein van de Staten Generaal, het veertigjarig bestaan van dit voor de wereld unieke instituut met een symposium herdacht. En net als tien jaar geleden praat de Ser vandaag weer vooral over zichzelf.

Weer een kroonjaar gehaald, en ook het volgende zal de Ser zonder enig probleem halen. De Ser hoort bij Nederland, zoals de molens en de tulpen. Bovendien heeft de Raad zelf zijn bestaansrecht tien jaar geleden bevestigd. In 1980 kon de toenmalige voorzitter van de Ser, De Pous, na een studie van zeven (!) jaar vaststellen: 'Na een zeer kritsch zelfonderzoek is de raad unaniem tot de conclusie gekomen, dat de Ser als advies- en overleg instituut een goede zaak is. Voor de regering, voor de sociale partners en voor de maatschappij.'

Maar de kritiek van buiten op de Ser neemt toe. Er was natuurlijk al jaren het even heldere als korte oordeel van de Rotterdamse hoogleraar Bomhoff over het ontmoetingspunt van werkgeversorganisaties, vakbeweging en het loslopend economenvolk dat is gegroepeerd onder de naam kroonleden. De letters Ser staan volgens Bomhoff voor 'Sociaal Economische Rem'. Zijn ex-collega Van Doorn, jarenlang zelf kroonlid bij de Ser maar opgestapt nadat hij het idee had gekregen niet serieus te worden genomen door werkgevers en werknemers, is al even cynisch. Hij beschouwt het Ser-werk als het 'jaar in jaar uit produceren van een stroom van muisgrijze adviezen met ware miereijver samengesteld, door weinigen gevraagd door weinigen gebruikt.'

Het VVD-Tweede Kamerlid Rempt kwalificeerde de produkten van de Ser als 'een compromis van een compromis van een compromis'. Stuk voor stuk zijn het geluiden van aanhangers van de zo vrij mogelijke markteconomie. In dat denken is geen plaats voor bureaucratische, tijdvretende overlegstructuren. Maar nu begint ook de andere kant zich te roeren. Vorige week was het PvdA-fractievoorzitter Woltgens die zich schaarde in het koor der kritici: het was de hoogste tijd dat de politiek haar rechten zou hernemen, zei hij in een toespraak voor studenten van de Technische Universiteit Eindhoven. De politici moesten veel vrijblijvender met de adviezen van de Ser omgaan. 'Het mag niet zo zijn dat als werkgevers en werknemers hebben gesproken, de politiek verder geen alternatieven meer heeft', aldus Woltgens.

Maar de Ser blijft bestaan, eenvoudigweg omdat de organisaties van werkgevers en werknemers dat willen. De voordelen wegen op tegen de nadelen, daar komt de motivatie van de 'sociale partners' in grote trekken op neer. Opheffen hoeft niet, zegt VNO-voorzitter Van Lede in het vandaag verschenen boek van Klamer. 'Ik vind dat je de Ser moet laten voortbestaan, maar met een vrij laag profiel'. FNV-voorzitter Stekelenburg is ook al zo zuinig: 'Het heeft niet zo verschrikkelijk veel zin om hem te laten verdwijnen'...' is de standaardkop in de kranten van zaterdag als de Ser weer eens heeft vergaderd. Het gevolg is dat het kabinet alsnog zelf de keuze maakt, alleen met maanden vertraging. Maar dan kan tenminste met recht worden gezegd dat de sociale partners zijn gehoord. Heeft het kabinet echt een baanbrekend advies nodig dan wordt de Ser maar liever gepasseerd. De adviezen over industriele vernieuwing kwamen aanvankelijk van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en later van de speciale ingestelde 'deskundigencommissie Wagner'. Hetzelfde gebeurde met de plannen voor een herziening van het belastingsstelsel waarvan het advies werd voorbereid door de bankier Oort en de herziening van het ziektekostenstelsel waar Philips-topman Dekker zich aanzette. Dezelfde Dekker produceerde later nog een advies over een nieuw technologiebeleid. Voor een nieuwe kijk op de relatie tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven werd ook niet de Ser eerst om een oordeel gevraagd, maar een commissie van deskundigen onder leiding van Philips-directeur Rauwenhoff.

En dat terwijl premier Lubbers twee jaar geleden Ser-voorzitter Quene nog beterschap beloofde en toezegde de Raad meer in te zullen schakelen. Nu zegt Lubbers over de Ser in het boek van Klamer: 'Met zo'n opbouw, met al die commissies wordt het, hoe moet je dat zeggen, als een baal hooi die alles afremt, veel nuances produceert, maar te weinig de scherpte die je nodig hebt, als je iets wil veranderen.'