Politiek en recht

OVERSCHADUWD DOOR het spektakelstuk van de Duitse eenheid had in Straatsburg een ceremonie plaats die evenzeer historisch mag heten. Als eerste Oosteuropese land werd Hongarije toegelaten tot de Raad van Europa. Dit is een betrekkelijk bescheiden organisatie, die doorgaans buiten de grote Europese debatten over economie en veiligheid blijft. Maar zij vervult een onmisbare rol bij het bouwen aan de infrastructuur van een Europese rechtsorde. Hoeksteen daarvan is het Europese verdrag voor de rechten van de mens, dat alle landen van de Raad bindt. Deze normen kunnen uiteindelijk worden getoetst door een onafhankelijk Hof, dat ook in Straatsburg zetelt. Typerend voor het succes van dit mechanisme is dat de gewone burger een klacht kan indienen tegen een soevereine staat, waarmee de volkenrechtelijke uitzondering tot norm is verheven.

Met Hongarije erbij telt de Raad van Europa thans 24 leden (van IJsland tot Malta). Tsjechoslowakije, Polen en Joegoslavie zijn reeds kandidaat. Uiteindelijk zou de Raad van Europa zelfs wel eens als het Europese Huis kunnen gaan dienen voor de Sovjet-Unie. Het gevaar dreigt dat een dergelijk duizelingwekkend perspectief met de verbeelding op de loop gaat en de aandacht afleidt van de zorgvuldige fasering die is geboden.

HET LIDMAATSCHAP van de Raad van Europa is niet veilig gesteld zodra er in een land, zoals in Hongarije het afgelopen weekeinde, democratische verkiezingen worden gehouden. Onverbrekelijk met dit lidmaatschap verbonden is deelname aan het Europese verdrag voor de rechten van de mens. Dat Hongarije c.s. gehouden zijn dit verdrag (inclusief het individuele klachtrecht) in te voeren staat ook niet ter discussie. Wel de termijn waarop de Europese mensenrechten ten volle in de nieuwe lidstaten gaan gelden.

Het is duidelijk dat dit een enorme omschakeling vergt die niet een-twee-drie valt te realiseren. Toch moet ervoor worden gewaakt dat op het gebied van de rechten van de mens niet 'een Europa van twee snelheden' ontstaat. Achterblijvers zouden immers het gemiddelde niveau van de Europese rechtsbescherming naar beneden halen. Dat is het laatste waaraan behoefte is; alle euforie neemt niet weg dat er ook in een land als Nederland op het gebied van de mensenrechten iets te verbeteren valt zoals de Straatsburgse praktijk regelmatig leert.

De Raad van Europa heeft een hulpprogramma voor de Oosteuropese kandidaatleden opgezet onder de sprekende naam Demosthenes. Ook de bestaande lidstaten hebben daarin een taak. Nederland heeft fondsen vrijgemaakt voor hulp aan en samenwerking met landen achter het voormalige IJzeren Gordijn, maar de nadruk wordt daarbij gelegd op de doeleinden van de vrije-markteconomie. De 'nuts and bolts' van de rechtsstaat verdienen evenzeer een speciaal accent: politieke en bestuurlijke vorming, rechtshulp, reclassering en politiezorg.

GERICHTE HULP accentueert dat toetreding tot de Raad van Europa niet vrijblijvend is. Hulp alleen is echter niet voldoende; enigerlei vorm van toezicht op de voortgang van de rechtsbescherming is onontbeerlijk. De Confentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa kan helpen het gat te stoppen. Sinds de Weense vervolgconferentie zijn de mogelijkheden voor de deelnemende staten vergroot om onderling schending van mensenrechten aan de orde te stellen. De nieuwe institutionele voorzieningen die voor de CVSE worden voorzien (vaste vergaderingen, secretariaat) kunnen deze politieke vorm van toezicht versterken. Maar het doel moet onverkort blijven dat de Oosteuropese landen zo spoedig mogelijk worden gebonden aan het justitiele toezicht van Straatsburg.

Zeker in deze overgangstijd dient verwarring tussen de Raad van Europa en de CVSE te worden vermeden. Secretaris-generaal Lalumiere van de Raad leverde daaraan geen bijdrage toen zij eerder dit jaar in een rede voor het Britse Instituut voor Internationale Zaken opperde om de hele menselijke dimensie van de CVSE maar over te hevelen naar de Raad van Europa. Alleen al gezien het brandbare materiaal dat de Oosteuropese minderhedenproblematiek oplevert is een dubbele aanpak voorlopig geen overbodige luxe. Dat vergt afstemming, geen overheveling, in het besef dat ieder zich voorlopig maar beter kan concentreren op zijn sterke kant: de CVSE op de politiek en de Raad van Europa op het recht.