Planbureau: ook grote basisschool op platteland

AMERSFOORT, 4 okt. Het voornemen van minister Ritzen en staatssecretaris Wallage om het platteland te ontzien bij schaalvergroting in het basisonderwijs lost de problemen in het basisonderwijs niet op.

Dit zei drs. H. M. Bronneman-Helmers van het Sociaal Cultureel Planbureau gisteravond op een bijeenkomst met schoolbesturen in Amersfoort. Bronneman is lid van de projectgroep die vorige maand staatssecretaris Wallage voorstelde om de opheffingsnorm in het basisonderwijs te verhogen van 23 tot 250 leerlingen. Wallage en de projectgroep houden deze weken een serie bijeenkomsten in het land met betrokken organisaties en personen (bonden, ouders, koepels, besturen, directeuren) over de plannen. Aan het eind van het jaar zal Wallage zelf zijn standpunt bekend maken.

Verhoging van de norm tot 250 leerlingen zou betekenen dat bijna de helft van de ongeveer achtduizend basisscholen moet worden opgeheven. De verwachte opbrengst van zevenhonderd miljoen gulden maakt het volgens de projectgroep mogelijk schooldirecteuren vrij te stellen van lestaken om zich aan het management te kunnen wijden, of speciale leerkrachten aan te trekken voor de begeleiding van moeilijk lerende kinderen.

In het regeerakkoord is afgesproken het platteland te ontzien bij eventuele schaalvergroting omdat dit te veel ten koste zou gaan van de bereikbaarheid. Bronneman verwees echter naar het rapport van de projectgroep waaruit blijkt dat bij toepassing van de 250-norm op het platteland nog altijd 92,3 procent van alle kinderen in de eigen woonkern naar school kan.

Verder wees ze op het feit dat veel van de leerlingen die extra begeleiding behoeven juist in de grote stad op school zitten. Herverdeling van de kosten van het basisonderwijs nu is de leerling op een kleine school van bijvoorbeeld veertig leerlingen bijna twee keer zo duur als op een grote van driehonderd achtte ze dan ook noodzakelijk.

Alternatieven voor de schaalvergroting zoals bijvoorbeeld ontwikkeld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, wees Bronneman af. In deze voorstellen werken groepen basisscholen op het platteland samen om een vrijgestelde directie en centrale administratie mogelijk te maken. De diverse scholen blijven echter wel als zogeheten 'lespunten' voortbestaan. Bronneman achtte de onderwijskundige vernieuwing die dit mogelijk maakt te beperkt en het kostenvoordeel te klein.

Aan de bijeenkomst gisteravond was een gepeperde briefwisseling tussen het ministerie en de besturenraad van het protestants-christelijk onderwijs (BPCO) vooraf gegaan. De BPCO vond het 'onzorgvuldig en niet te rijmen met het streven van de staatsecretaris om de verstandhouding met het onderwijsveld te verbeteren' dat het ministerie de schoolbesturen apart had uitgenodigd zonder haar daarover in te lichten. Wallage schreef terug niet te willen aannemen dat de BPCO de schoolbesturen 'niet op eigen kracht' over schoolgrootte wil laten discussieren.

Negen besturen- en vakbondsorganisaties in het onderwijs hebben de staatssecretaris inmiddels laten weten niet officieel op de schaalvergrotingsvoorstellen te willen reageren. De onderwijsbonden ABOP, KOV, PCO en NGL en de organisaties van schoolbesturen VNG, VBKO, VGS, LVGS, VBS schrijven eerst het standpunt van de staatssecretaris te willen afwachten. Zij vinden het advies van de projectgroep 'buiten de realiteit staan' en 'wetenschappelijk zeer omstreden'.

De aanwezige schoolbesturen zelf reageerden gisteravond verdeeld op de plannen. Een bestuurder uit Rijnsburg wees erop dat als uitvloeisel van de fusieoperatie in het basisonderwijs in 1985, zijn school nog steeds kampt met een versnippering van het gebouwenbestand. Een nieuwe fusie-operatie als gevolg van de plannen van de projectgroep zou dit verergeren.

Bonden en besturen weigeren reactie op schaalvergroting