Op het kruispunt met de stoplichten

Al tijdens de openingsavond van de Nederlandse Filmdagen viel de naam Arjanne Laan, want zij kreeg uit handen van een stotterende wethouder de Prijs van de Stad Utrecht voor haar documentaire Mama Calle. Het is een goed besluit van Laans producent om haar film direct na die aandacht in een reguliere filmvoorstelling te presenteren. Prijzen maken nieuwsgierig, een geinteresseerd publiek zal de film allicht graag zien op een groot scherm en het is sowieso lofwaardig om voor de documentaire een plaats op het filmdoek te veroveren, zeker wanneer hij zo mooi gefilmd is als deze.

Mama Calle vertelt over een groepje zwerfkinderen in Mexico-City. Zwerfkinderen, hun leven, hun lot, hun perspectief, het is een verhaal dat al vele malen werd verteld. In kranten, weekbladen en tijdschriften staan regelmatig reportages over zulke kinderen waar ook ter wereld, televisiemakers uit de VS, Europa en ook uit Nederland maakten er programma's over en in de bioscoop waren bijvoorbeeld Bunuels Los Olvidados te zien, Pixote van Hector Babenco en, recenter, het prachtige, autobiografische, The Runner uit Iran.

Dat maakt Laans onderneming minder uniek, maar niet minder waard. Omdat het onderwerp al vaker aan de orde kwam, is het zaak dat een filmmaker een zo persoonlijk mogelijk visueel uitgangspunt hanteert. Arjanne Laan koos voor een paradox: haar Mama Calle komt door de cameravoering heel dicht bij de kinderen en houdt door zijn aanpak van dat materiaal de emoties van het publiek zorgvuldig op afstand. In die zin is het evenzeer haar film als die van cameraman Melle van Essen. Hij is het die de lege ogen van de kinderen vangt, boven de bolle plastic zakken waar ze lijm uit zitten te snuiven. Van Essen bracht ook razend knap de sfeer in beeld die het leven van deze kinderen bepaalt. De sfeer van de dag, van het drukke kruispunt met de stoplichten waar met allerhande klusjes geld gebedeld kan worden bij de wachtende automobilisten. En de sfeer van de nacht. De snelweg is gereduceerd tot een strook licht in de diepte, met hier en daar een verlicht vlakje de toonbank van een snackbar. Verder is het donker. Het clubje haveloze vrienden speelt huisje in een geimproviseerd kartonnen 'hol' op een betonnen vlakte. Ze vertellen wat. Ze slaan ook even een man in elkaar een bleke blote rug boven een afgezakte broeksband.

Mama Calle toont ons wat Laan (en wat Van Essen) zag. Wat ze dacht laat ze zoveel mogelijk in het midden. Ze wenst nadrukkelijk niet te informeren. We leren de namen waarmee haar 'hoofdpersonen' elkaar aanspreken bijnamen als 'zwarte' of 'kale' en daar blijft het bij. Hoe oud ze zijn, hoe lang ze al op straat leven, zulke gegevens blijven achterwege. Af en toe wordt iemand gevraagd hoe hij op de straat terecht is gekomen. Het antwoord bevat nooit een reele verklaring. Meestal verwijst het naar een afzonderlijk incident: 'mijn zwager heeft me heel erg geslagen en toen ben ik niet meer naar huis terug gegaan'. Algemene uitspraken worden ontweken, we hebben het over deze jongens. Evenmin komen de gevaren aan de orde die in de andere films een doorslaggevende rol speelden. Het economische en seksuele misbruik waar thuisloze kinderen zo gemakkelijk het slachtoffer van worden, de rol die de 'grote' misdaad in hun leven kan gaan spelen, Mama Calle laat er naar raden, alleen het geweld van de politie komt even aan de orde. De film laat ons verbaasd staan over de veerkracht van deze kinderen. Ze moeten voor zichzelf zorgen, ze eigenden zich daartoe een vergaande, hardheid toe. En ze blijven toch kinderen, in hun reacties, in de spelletjes die ze bedenken, zelfs in de uitdrukking op hun gezichten.

Spitst Laan haar betoog toe dan is het op de affectieve schraalte waaronder de kinderen gebukt gaan, zoals wanneer een jongen, in een roes van een drug, zijn gezicht afwendt en tegen zijn vriendje piept: 'Zeg haar dat ik er niet ben'. 'Waar is hij dan?' vraagt Laan. Het vriendje geeft zijn antwoord door: 'Hij is naar huis'. Veelzeggend is ook de aandacht van een van de jongens voor de moeder die, gewapend met een pasfotootje, zoekt naar een verdwenen zoon.

We liften met de jongen mee in een trein, opnieuw dwingend gefilmd door Van Essen, en arriveren op het platteland waar de meesten vandaan blijken te komen. We gaan het feest van Allerzielen vieren en ook al put de film zich uit in plaatjes van de suikeren schedels die al te veel Mexicaanse films vertroebelen met hun quasi-diepzinnige symboliek, we begrijpen Laans boodschap: met Allerzielen breng je een bezoek aan je dode familieleden en voor deze jongens is er niet anders dan dode familie.

Op het platteland breekt Laan breekt met haar stijl: ze laat de afstand varen, velt een streng oordeel en wijst nadrukkelijk naar de ouders en indirect naar de katholieke kerk. Laan heeft even een gesprekje met een moeder van een van de jongens. Ze staat op een armelijk erfje de was op te hangen en weet niet meer te vertellen dan dat haar zoontje niet wilde werken en nu verkeert temidden van verkeerde vrienden. We zien twee maal een doopplechtigheid en horen twee maal de belofte boven het pasgeboren hoofdje. Wie een kind laat dopen zegt toe zijn verantwoordelijkheid als ouder te beseffen en te nemen, preekt de priester. Tekort geschoten ouders op het Mexicaanse platteland die doopbelofte nadragen is unfair en te simpel.