Niet iedere danser is ook choreograaf

De jaarlijkse choreografie-workshop blijkt niet de enige plaats te zijn waarin de leden van Het Nationale Ballet hun choreografische ambities kunnen of willen verwezenlijken: tien dagen na deze workshop presenteerden de dansers Clint Farha en Ted Brandsen, en ex-danser John Brown samen met Norbert Taatgen eigen werk onder de verzamelnaam Quadricorn.

Zij werken onder de hoede van een nieuwe stichting Dairymaids ('Melkmeisjes'), die wordt geleid door Josiane Geys en Vicki Summers, ook al ex-Nationale Ballet-leden. De repetities hadden plaats in de voormalige studio van HNB, in het gebouw De Melkweg; de voorstelling wordt gegeven in de nieuwe vleugel.

Geen van de vier choreografen is een debutant, zodat men zich wellicht het stadium van de workshops ontgroeid voelde. Na het zien van Farha's Eschew the Errant Knight, The Ungiving Day van John Brown en Edge van Norbert Taatgen, vroeg ik me echter af wat deze mensen hebben willen zeggen. Is er van de imposante lijst van 'hulpverleners' niemand geweest die een kritische noot heeft laten horen, of was dat niet gevraagd of gewenst?

Fahra's veel te lange choreografie veertig minuten opgebouwd uit drie solo's en een duet biedt noch in beweging noch in dramatische ontwikkeling iets interessants. In de solo voor de man (Norbert Taatgen) komt veel van Farha's eigen dierlijke manier van bewegen terug. Een andere uitvoerder heeft die echter niet in het lijf zitten en dan werkt het gewoonweg niet. Norbert Taatgen heeft in zijn Edge geen samenhang kunnen aanbrengen. Zijn bewegingstaal heeft wel iets eigens maar hangt als los zand aan elkaar.

John Browns choreografie vertoont veel invloed van Toer van Schaik. Er zitten enkele goede fragmenten in, maar ook dit werk is te lang dertig minuten en ontbeert een hechte structuur.

Het beste ballet kwam van Ted Brandsen. Zijn Motel Dances voor zijn danseressen heeft geen andere pretentie dan dans te willen zijn. Hij gebruikt de ruimte goed en afwisselend, is duidelijk in zijn bewegingen en brengt boeiende variaties aan. Hij is consequent in zijn muzikale keuze: geen mengelmoes van composities maar vier pittige percussiestukken van Motel Bokassa, die zich weerspiegelen in de choreografie. Brandsen heeft ook de capaciteiten van zijn dansers goed getaxeerd. De flatteuze kostuums (van Francois-Noel Cherpin) dragen daar zeker toe bij. Motel Dances zou een plaats in het repertoire van een gezelschap waardig zijn.