Labourcongres tintelt aan zee

BLACKPOOL, 4 okt. De wind die in Blackpool permanent over de boulevard lijkt te huilen wordt door Engelsen prijzend 'bracing' genoemd een opkikkertje. Afgevaardigden naar het partijcongres van Labour worstelen zich met flappende jaspanden en verwaaide haren langs 'Tante Betty's frituurpaleis' en 'Gipsy, de handlijnlezer' naar de gevel van wat een provinciale bioscoop lijkt, maar weids 'De Wintertuin' heet. Dit zalencomplex verbergt achter een schil van armoedige restaurants en trappehuizen met gevlekte lopers een parel van Victoriaanse nepbarok: de gouden en creme zaal waar onderlangs het plafond dartelende engeltjes de wedergeboorte van de Labourpartij gestalte geven.

Met de verpakking van het produkt is niets mis. Sinds het moment in 1986 waarop de tovenaar van de transformatie van de partij, Peter Mandelson, Neil Kinnock en zijn vrouw zover kreeg dat zij aan het eind van het congres rode rozen de zaal inwierpen, is de presentatie per jaar verder verfijnd. Bij dit congres, mogelijk het laatste voor nieuwe verkiezingen, toont Labour zich, na 'de verkwiste jaren onder Thatcher', aan de natie als de partij van de jaren negentig.

Boven het podium met de congresleiding en de partijbonzen hangen daarom dit keer grote borden met foto's. Daarop staan mensen met wie de potentiele Labourkiezer zich moet kunnen identificeren: een breed lachende zwarte man, type Eddy Murphy, twee kinderen, een wit, een bruin, die zo uit een Benetton-reclame zijn gestapt, een wat angstig kijkende 'middle-class'-mevrouw, die mogelijk net het verkeerde wasmiddel in de witte was heeft gegooid, en een bejaard echtpaar, hij zilvergrijs gekapt en beiden zichtbaar vol vertrouwen in de gelukkige afloop van een lang leven.

De finesse zit hem in de verborgen verleiding waarmee Mandelson Labours basis ten noorden van de grens met Engeland het hof maakt. De jurk van oma is uitgevoerd in een Schotse ruit. Ten slotte nieuwe generatie, begrijpt u wel? komt er nog een moeder met een baby en dan de slogan: 'Looking to the future' 'Met de blik op de toekomst'.

De gelikte presentatie heeft haar invloed op de deelnemers aan het congres. Na anderhalve dag congresseren was er nog geen vakbondsbaas woedend van het spreekgestoelte gestapt, er was er nog geen spreekkoor geweest en zelfs het veelzeggende gebaar van twee minachtend opgestoken vingers in de richting van de partijleiders was evenmin geregistreerd. Pas het onderwerp defensie zou de sfeer veranderen. Een keer in die eerste dagen bediende een kaderlid zich als per ongeluk van bejaard jargon en valt de term 'ketenen slaken'. Aan de perstafel ging menigeen vol verwachting rechtop zitten, maar tevergeefs. Bij nadere beschouwing hadden de ketenen niets met de kapitalistische slavendrijvers van doen, maar alles met de verouderde ideeen in de partij van vroeger. 'Vroeger' is op dit congres de aanvaarde code voor langer dan een jaar geleden.

Regeert het hoofd winnen ten koste van alles dan helemaal het hart van de Labourpartij van 1990? Bijna. Onder dat rustige oppervlak klotste af en toe de lava van onderdrukte emotie roodgloeiend. Bijvoorbeeld toen Tony Benn en Denis Skinner met ruime meerderheid alweer als vertegenwoordigers van ultra links in het partijbestuur werden gekozen. Een minderheid, maar een hinderlijke minderheid.

'We stemmen tegen bijna alles wat de rest van de partijleiding voorstelt', aldus Denis Skinner, 'en dan moet ik ook nog opletten dat Tony niet net naar de wc is, want dan heb ik niemand om mijn opponerende motie te steunen.' Hitte siste ook venijnig tegen het koele front van eenheid toen de machtige vakbondsleider Ron Todd zich liet ontvallen dat hij de nieuwe sociaal-democratische politiek van de Labourleiding steunt, al brengt die geen vervulling van alle wensen van de vakbonden. 'Maar we kunnen maar een stap tegelijk doen, kameraden!', zei hij en de goede verstaander vertaalt: 'Straks als de Labourregering aan het bewind is komen die eisen wel weer op tafel.' Todd riep: 'Nu geen verdeeldheid! We moeten een zijn in ons streven', en de scepticus vreest al voor de eerste ronde van de loononderhandelingen.

Het is niet eerlijk om alle verschil in presentatie aan kosmetische inspanning toe te schrijven. Het is waar dat dit jaar de toespraken meer gaan over wat de Labourpartij wel kan, dan over wat zij allemaal niet kan door de schuld van de duivelin in Downingstreet 10. De ene redenaar na de andere geeft zich over aan zelfkastijding: wat er voor fouten gemaakt zijn in het verleden, hoe de bonden onredelijke eisen stelden, hoe zij zelf nooit gezorgd hebben dat er behoorlijke scholing en prioriteit was, waardoor de Britse technologische achterstand bij de rest van Europa nu zo beschamend groot is.

Ook dat laatste is nieuw: het woord Europa vloeit de meeste gedelegeerden met een gemak uit de mond alsof Labour het idee van een gemeenschappelijke Europese markt van stond af aan omhelsd heeft.

Het is symbolisch dat juist hier in een achterlijk, vervallen, dichtgespijkerd, van volkse lol doortrokken oord als de badplaats Blackpool een tinteling van naderende triomf door de partij gaat. De schaduwbewindsman voor internationale betrekkingen, George Robinson, voelde het toen hij trots constateerde dat voor het eerst de directeur-generaal van het Foreign Office naar zijn speeches was komen luisteren. Peter Mandelson weet het: nog nooit heeft de buitenlandse pers zo massaal acreditatie voor een Labourcongres aangevraagd. En Neil Kinnock weet het omdat hij zich op dit congres doelbewust meer als staatsman dan als partijleider profileert. Met zo'n succes dat de Duitse ambassadeur in Londen, baron Von Richthofen, die eerder dit jaar nog geschoffeerd werd door anti-Duitse uitlatingen van een Conservatieve minister, na Kinnocks congresrede als vanzelf uit zijn stoel oprees en als een razende klapte. Hij was onder de rijen diplomatieke vertegenwoordigers eerlijk is eerlijk de enige.