Kamercommissie analyseert klachten; Gebrek aan controle bijraden kinderbescherming

DEN HAAG, 4 okt. Er is een gebrek aan externe controle en er zijn onvoldoende garanties voor een objectieve klachtenbehandeling over het werk van de raden voor de kinderbescherming.

Die conclusie trekt een commissie bestaande uit leden van de Tweede Kamer in het rapport 'Rechtzetten' dat vanmiddag is aangeboden aan Kamervoorzitter Deetman. De rechtswaarborgen voor de burger die met de kinderbescherming te maken krijgt, vertoont op een aantal belangrijke punten leemten, aldus de commissie.

De commissie werd begin dit jaar ingesteld naar aanleiding van toenemende klachten over het werk van de kinderbescherming. Ze moest analyseren of er sprake is van structurele knelpunten in het functioneren van de instellingen van de kinderbescherming. In het rapport wordt geen algemeen oordeel gegeven over de kwaliteit van het werk van de kinderbescherming. Wel worden er veertien aanbevelingen gedaan die het bestuur en wetgeving op dit gebied moeten verbeteren.

Een van de aanbevelingen is dat de taken van de kinderrechter met betrekking tot de ondertoezichtstelling (OTS) van minderjarigen moet worden beperkt. Nu is het zo dat de kinderrechter, meestal conform het advies van de kinderbescherming een OTS oplegt en ook zelf belast is met het toezicht op de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel. De commissie meent dat hierdoor de vereiste onafhankelijke positie van de rechter in het geding komt.

Het voorstel is om de leiding over de uitvoering van maatregelen te leggen bij de instellingen voor de gezinsvoogdij. Toezicht op dit werk is een taak voor de inspectie. De Wet op de jeugdverlening die nu voorziet in drie soorten toezicht, moet zo worden gewijzigd dat er een interdepartementale inspectie jeugdhulpverlening ontstaat.

De commissie is verder van mening dat er landelijk geldende criteria moeten komen voor de behandeling van klachten waarbij beroep op een externe, onafhankelijke klachtencommissie mogelijk moet zijn. De ministers van Justitie en WVC worden gevraagd binnen zes maanden criteria voor klachtenreglementen vast te stellen.

Voor de rapporten die de kinderbescherming en voogdij-instellingen opstellen voor de rechter gelden te weinig regels die garanderen dat 'de zorgvuldigheid van die informatie voldoende is gewaarborgd'. De commissie wil dat er richtlijnen komen die de kwaliteit van de rapportage garanderen. Een rapporteur moet ook onderscheid aanbrengen tussen geconstateerde feiten en vermoedens en indrukken.

De wetgeving zou verder extra waarborgen moeten gaan bevatten voor een zorgvuldige hulpverlening aan weggelopen jongeren. Ook waarborgen om te voorkomen dat de ouders in onzekerheid verkeren zijn nodig. De commissie vindt ook de huidige norm voor OTS te vaag.

De commissie heeft ook geconstateerd dat burgers onvoldoende informatie hebben over het werk van de kinderbescherming. Ouders voelen zich nogal eens overvallen door de Raad. Betrokkenen dienen daarom van 'voldoende en berijpelijk informatie te worden voorzien'.

Evenals de commissie Gijsbers die in mei rapporteerde over de kinderbescherming is de Kamercommissie van mening dat ouders de mogelijkheid moeten hebben om een tegenonderzoek te vragen. Ouders moeten er ook op worden gewezen dat ze zich kunnen laten bijstaan door een advocaat.

Staatssecretaris Kosto (justitie) zal nog dit jaar komen met een nota over de jeugdbescherming waarin hij het oordeel van de twee commissies zal betrekken. Naar verwachting zal in ieder geval worden voorgesteld de kinderrechter niet langer met uitvoerende taken te belasten. Kosto noemt in een eerste reactie het rapport evenwichtig, zakelijk en helder. Hij verwacht dat door dit rapport de toegezegde nota snel gereed zal zijn.