In Oisterwijk groeien de eiken tot in de hemel

De reclamemakers hebben het grote nieuws, zoals gebruikelijk, het meestkernachtig samengevat. In het steno van de STER heet het dezer dagen, dat klop klop weliswaar terug is van weggeweest, maar sinds kort wordt vergezeld door geluiden die een geheel andere associatie oproepen zoals ting ting en krrrt krrrt. De droge klop van weleer stond voor het massieve, geloogd eiken dat kasten, tafels en de legendarische dekenkisten in de ogen van brede lagen van de bevolking een deftig, onverzettelijk aanzien gaf. De nieuwe klanken vertolken andere materialen, rankere vormen en lichtere kleurstellingen. Meubelfabriek Oisterwijk presenteert zich met 'een nieuwe interieur-trend', die zich laat omschrijven als 'romantisch, landelijk wonen'. Sterker nog: 'een behaaglijke warmte in onze huizen die doet denken aan koloniale tijden, een tikje exotisch, een vleugje romantisch'.

Terwijl het bedrijf eigenlijk ten dode was opgeschreven. Na de hoogtijjaren van het geloogd eiken, waarin de meubelfabriek met een omzet van 75 miljoen gulden de trotse marktleider was, zag men zich geconfronteerd met een groeiende afkeer van het opdringerige, quasi-antiek ogende assortiment. Nederland liep massaal naar Ikea en beschouwde Oisterwijk als een monstrum uit vroeger tijden. Veel te plomp en zwaarwichtig; geen wonder dat de volksmond de fabel verspreidde, dat men te Brabant zijn meubelen volstortte met beton. Een jaar geleden ging Meubelfabriek Oisterwijk failliet. De eigenaar van het bedrijfspand, de Rotterdamse beleggingsgroep Fortress, kocht de resten op. Die mochten er, in afwachting van een nieuwe bestemming, nog even blijven zitten.

Dat uitstel betekende de redding. Onder leiding van de 31-jarige directeur Jan Kerkhof bleek het nu danig afgeslankte bedrijf toch nog in een behoefte te voorzien. Oude klanten bleven naar de Brabantse toonzaal komen. En intussen bezon Kerkhof zich op nieuwe markten. Het gevolg is, dat het personeelsbestand van Meubelfabriek Oisterwijk (ooit 85 man) alweer is gegroeid tot 22. 'Onze naamsbekendheid is nog steeds de allersterkste kant van de onderneming, ' stelt de directeur met genoegen vast. 'We moeten nu alleen nog af van dat oude, stoffige imago.'

Met twee nieuwe collecties wordt die poging kracht bijgezet. Manor House verwijst naar de postkoloniale inrichting van het Engelse landhuis, Provence hoopt een geromantiseerd-landelijke sfeer op te roepen. Het donkerbruin van het zware eikenhout is vervangen door lichtere tinten en wordt nu gecombineerd met riet, glas, messing, marmer en een bont assortiment aan accessoires. Kerkhof vervangt naar eigen zeggen de 'doctrine' van vroeger, waarbij de combinatiemogelijkheden streng werden voorgeschreven, door een ruime keuze. Geen enkele combinatie is nu meer te dol, men zoekt het maar uit, men doet maar wat men wil. De licht gebogen, groene boerderijstoelen met hun rieten zitvlak kunnen gerust bij een glazen tafel staan. In de toonzaal schrikt men er zelfs niet voor terug daarbij bovendien nog enig geloogd eiken uit de traditionele collectie te plaatsen, nu in boerderijgroen opgevrolijkt. Alles kan, alles mag.

Nu daarmee de voormalige begrenzingen zijn opengebroken, doemt hooguit nog de vraag op of Oisterwijk daarmee niet tevens de vroegere exclusiviteit opgeeft. Veel van wat nu te koop staat, zou ook aan de meubelboulevard of in menig warenhuis kunnen worden aangeschaft. Kerkhof verwerpt die gedachte uiteraard met verve: 'Ik zou niet weten waar je dit allemaal ook zou kunnen vinden. En zelfs al zou je ergens anders een stoel of een tafel zien die er een beetje op lijkt dan nog is de combinatie uniek. 't Is het sfeertje, he?'

Inmiddels zint de jonge ondernemer alweer op uitbreidingsmogelijkheden, zoals het herstel van het landelijke netwerk van toonzalen. Van voorheen is verder alleen nog die in Zuid-Laren overgebleven, waar uitsluitend de oude eikencollectie wordt vertoond. Voor de nieuwe modellen is men nu nog aangewezen op een bezoek aan Oisterwijk. Daar loopt het, vermeldt de directeur, reeds storm.