Guggenheim-retrospectief in Venetie gaat verontrusting uit deweg

VENETIE, 4 okt. In het fraaie Venetiaanse Palazzo Grassi zijn liefst l60 mooie en verleidelijke 'Masterpieces of Modern Art: From Van Gogh tot Picasso, from Kandinsky to Pollock' bijeengebracht. De retrospectief in Venetie is georganiseerd door het Solomon R. Guggenheim museum in New York dat wegens renovatie is gesloten en volgend jaar september heropend wordt. De tentoonstelling heeft de bekoring van een evergreen. Wat er te zien is, is klassiek geworden. Het kan alleen opnieuw herkend worden, maar zodra de herkenning heeft plaatsgevonden, val je ten prooi aan sentimenten. Een aantal van deze topstukken is voor het eerst en het laatst in Europa te zien.

Uit de opzet van deze attractieve expositie komt een optimistische kijk op de moderne kunst naar voren: de ontwikkeling van de twintigste eeuwse kunst als de geschiedenis van de vooruitgang. Volgens deze gangbare opvatting vloeit de ene stroming uit de andere voort alsof de kunstenaars voortdurend aan een innovatie-programma werkten. Net als in het hoofdstuk over moderne kunst in H. W. Jansons Wereldgeschiedenis van de Kunst loopt de weg als vanzelfsprekend van Van Gogh naar Picasso en van Kandinsky naar Pollock.

In deze opzet kunnen de meer verontrustende aspecten van de getoonde kunstwerken worden begrepen als louter inventieve stijlvarianten. Een aardig voorbeeld van deze onderbelichting van fikse breukpunten in de theorie over de vooruitgang in de kunst, is de presentatie van het dadaisme. Dit wordt op de tentoonstelling belichaamd door Marcel Duchamp, maar in plaats van een anarchistische ready made die zich geheel aan het verschijnsel 'stijl' onttrekt, hangt er een olieverfschilderij uit l9ll-l2, getiteld Nude (Study), Sad Young Man on a Train. De catalogustekst verklaart die keuze: hierin zijn invloeden van kubisme en futurisme in te ontdekken.

Misschien weten de Amerikanen niet goed raad met kunstenaars die ze niet zonder meer vanuit de kunstgeschiedenis kunnen verklaren. Ze lijken vooral weinig op te hebben met de duistere kanten van de Europese kunst die ze in hun kritieken gewoonlijk afdoen met Duitse woord Angst. Moderne meesters als Chaim Soutine, Bacon, Fautrier en Balthus schitteren op de tentooonstelling dan ook door afwezigheid.

Sereen

Dit serene beeld van de moderne kunst dat uit de rijke verzameling van de Solomon R. Guggenheim Foundation oprijst, staat haaks op de geschiedenis van de collectie zelf. Deze is voor een belangrijk deel samengesteld uit prive-verzamelingen. Zo verwierf het Guggenheim in februari van dit jaar de driehonderd werken omvattende verzameling minimal art en concept art van de Italiaanse graaf dr. Giuseppe Panza di Biumo.

Voor de Venetiaanse retrospectief is geput uit de prive-verzamelingen van Guggenheim zelf, zijn legendarisch geworden nichtje Peggy en de in Munchen geboren kunsthandelaar Justin K. Thannhauser, die inmiddels allen zijn overleden. Uit de Thannhauser-verzameling zijn 28 werken geselecteerd van Impressionisten en Post-Impressionisten als Van Gogh, Gauguin, Picasso, Renoir, Degas, Manet en Cezanne. Ze verraden de verfijnde smaak van de connoisseur. De Picasso uit l93l die hij aan het Guggenheim schonk, Woman with Yellow Hair, prijkt op het tentoonstellingsaffiche.

Het portret van Picasso's geliefde Marie-Therese Walter is een droom van een schilderij. De compositie die door zijn verregaande eenvoud haast brutaal aandoet, is verbluffend origineel en wordt teder beademd door de kleur die er als het ware uit opstijgt. Het portret wordt daardoor geheimzinnigerwijs beleefd als een twintigste-eeuwse versie van onvervalsde 'belle peinture'. Dat de Thannhauser-collectie het Guggenheim museum mocht verlaten, is te danken aan Justins weduwe die toestemming verleende voor expositie in Europa.

Kunsttempel

Solomon Guggenheim, afkomstig uit een van oorsprong Zwitsere familie die in de negentiende eeuw een fortuin vergaarde in de mijnbouw, ontdekte de moderne kunst op zijn zesenzestigste. Hij werd bij Kandinsky geintroduceerd in diens Studio in Dessau door de nog jonge Duitse schilderes, baronesse Hilla Rebay von Ehrenwiesen. Zij was in l927 in de Verenigde Staten aangekomen en kreeg de opdracht een portret van Solomon te schilderen. Later zou ze conservator worden van zijn eerste kunsttempel, het 'Museum of Non-Objective Painting' dat in l939 in New York werd geopend.

De Kandinsky's die Guggenheim verwierf zouden de kern vormen van zijn verzameling abstracte kunst. In Venetie is er dan ook veel werk van hem te zien. Rebay bepaalde het karakter van Solomons verzameling, waarin onder meer werken van Chagall, Delaunay, Albert Gleizes, Leger en Moholy-Nagy werden opgenomen. Rebay, beinvloed door Rudolf Steiner en Kandinskys boek Ueber das Geistige in der Kunst, beschouwde de abstracte kunst als een vorm van religie. Zij was het ook die bij de bouw van een nieuwe tempel voor de abstracte kunst aan de architect Frank Lloyd Wright dacht.

Toen het spiraalvormige bouwsel in l959 voltooid werd, was Solomon gestorven en Rebay uit de gratie. De nieuwe generatie beoordeelde de sfeer in het het Museum of Non-Objective Art, waarop zij haar stempel had gedrukt, als eclectisch en esoterisch. Solomons zoon benoemde James Johnson Sweeney tot directeur van het nieuwe museum. Zijn eerste daad was het aankopen van sculpturen die met uitzondering van de mobiles van Calder niet pasten in Rebays ideaalbeeld van pure abstractie.

Rebay moet de absolute tegenpool geweest zijn van Solomons nicht Peggy die op haar veertigste min of meer uit verveling in Londen de galerie voor moderne kunst 'Guggenheim Jeune' oprichtte. Vrijwel direkt groeide de galerie uit tot een belangrijk centrum van avantgarde kunst. Toen ze begon was moderne kunst niet haar primaire interesse: ze kende ze alleen de Impressionisten en haar liefde ging uit naar de Italiaanse renaissance. Maar met ontwapenende directheid gaf ze zich spoorslags gewonnen. Net voor de Duitsers Frankrijk binnenvielen, kocht ze in Parijs een schilderij per dag om haar collectie aan te vullen die ze bestemd had voor een door haar te bouwen museum.

Als directeur stond haar Herbert Read voor ogen, die voor haar een lijstje had gemaakt met voor het museum onmisbare kunstwerken. Haar adviseurs, Marcel Duchamp en Nellie van Doesburg herzagen dat lijstje weer en ook Peggy's toenmalige geliefden, de schrijver Samuel Beckett en de surrealist Max Ernst, met wie ze ook nog een blauwe maandag getrouwd was, deden ook nog een duit in het zakje. Teruggekeerd in New York opende Peggy de galerie 'Art of this Century' waar ze belangrijke tentoonstellingen organiseerde van De Chirico, Rothko, Motherwell en haar grote ontdekking Jackson Pollock.

Het openen van een commerciele galerie beschouwde Rebay als een vorm van vulgariteit. Ze verweet Peggy dat ze de naam Guggenheim door het slijk haalde. Toch is Peggys aandeel in de Venetiaanse tentoonstelling het levendigste, met werk van Max Ernst en Tanguy, Picasso, Van Doesburg, Brancusi, Giacometti en Dubuffet.

De transport van Peggys kunstwerken, die door de Guggenheim Foundation beheerd worden, was eenvoudig. Ze hoefden alleen maar van haar Venetiaanse Palazzo Venier dei Leoni naar het Palazzo Grassi aan de overzijde van het Canal Grande te worden gevaren. Overigens is het de bedoeling dat de Foundation haar activitein in Europa verder gaat uitbreiden. Er wordt gedacht aan een door Hollein te bouwen ondergronds Guggenheim Museum in Salzburg. De 'Masterpieces of Art' met uitzondering van de Thannhauserverzameling, die tot 9 december in het Palazzo Grassi te zien zijn worden hierna op doorreis gestuurd naar Madrid en Tokyo.