Franciscus voor arbeiders verklaard

Negotie en devotie gaan hier hand in hand. Honderden winkeltjes en standjes met religieuze prullaria. Iedereen wil hier rijk worden aan de meest malle souvenirs en dat terwijl het Italiaanse stadje Assisi, gebouwd op de heuvels van Umbrie, toch vooral de naam heeft hoog te houden van de Heilige Franciscus, bijgenaamd Il Poverello, de kleine arme, het verwende rijkeluiszoontje dat zijn welgestelde ouders verliet om in navolging van Christus alle wereldse genoegens te ontberen. Een dierenvriend ook, die Franciscus, volgens de legende kon hij praten met de vogels en temde hij in Gubbio een boosaardige wolf. Dr. Dolittle avant la lettre, op 3 oktober 1226 stierf hij op 44-jarige leeftijd, een dag later werd hij begraven: 4 oktober werelddierendag, zo is het gekomen.

Het is een af en aan rijden van touringcars op het plein voor de basiliek die vlak na de dood ter ere van Franciscus verrees. Per slot van rekening was hij de eerste heilige die werd gestigmatiseerd, die de wonden van Christus op zijn lichaam droeg en dat vond de paus wel een architectonisch eerbetoon waard.

Binnen weerkaatst tegen de kerkgewelven een Babylonische spraakverwarring. Japanse, Amerikaanse, Duitse, Franse, ja zelfs Chinese minderbroeders leiden hun landgenoten rond langs de op het leven van Franciscus geinspireerde fresco's van Giotto. De jonge in bruine en zwarte pijen gestoken Amerikaanse paters kennen hun pappenheimers, ze maken met hun geoliede praatjes de Basilica di San Francesco even aantrekkelijk als Disneyland.

Een monnik die ik later zal leren kennen als brother Jozef vergelijkt de wandschilderingen van Giotto met moderne cartoons van Mickey Mouse en Donald Duck. Voor de serieuzere pelgrim is er de mogelijkheid te biechten in een soort biechtmachine. Je stopt een muntstuk in een automaat en met een druk op een knop geef je je voorkeur aan: Engels, Portugees, Frans, Duits of Japans, een elektrisch lichtje gaat branden en je krijgt hier de penitentie in de taal die je moeder je geleerd heeft. Waarna je weer met een zuiver geweten naar de nabijgelegen Sala del Pelligrino kunt, het oude pelgrimskwartier, dat nu is omgebouwd tot een gezellige kroeg.

Pot bier

Brother Jozef staat net als al die andere gepijde makkers die net een kudde toeristen hebben rondgeleid zijn fooitjes te tellen. De lire-stukken rinkelen onder zijn zwarte gewaad. Geen wonder dat de souvenir-industrie de spot drijft met de ascetische regels die Franciscus zijn volgelingen ooit heeft opgelegd. Tot in het kleinste tabakswinkeltje zijn ze te koop: de dikbuikige uit hout gesneden franciscaantjes, drinkend aan een flinke pot bier, happend in een sappig stuk meloen, hun geld vergokkend aan de kaarttafel. Broeder Jozef heeft geen enkele moeite met deze satire: 'Als ik naar Amerika ga neem ik er zelf altijd een paar mee. In mijn orde vinden ze het wel grappig, ik heb zelf ook zo'n beeldje op de vensterbank staan.'

Hij legt me uit dat Franciscanen niet zo zwaar op de hand zijn. De woorden joy en gaiety komen om de andere zin uit zijn eeuwig glimlachende mond. Hij vertelt me dat Franciscus een man was die God weer bij de mensen bracht en dat dat heel bijzonder was voor een tijd waarin de ketterse geestelijkheid zich badend in rijkdom samen met de adel verschanste achter dikke muren. Zo ziet hij zijn werk als gids ook: Franciscus voor arbeiders verklaard. En ach, al die Dr. Dolittle-anekdoten over Sint Franciscus waar we nu werelddierendag aan danken, hij betwijfelt het waarheidsgehalte ervan, ik moet ze meer zien als metaforen voor de goedheid van deze heilige. Maar a propos, time is money, over vijf minuten heeft hij weer de volgende toer, mocht ik meer willen weten over het leven van Franciscus dan moet ik in de souvenirshop van de basiliek maar even de biografie kopen van pater Jacovelli.

Voor zevenduizend lire schaf ik mij het boekje aan en lees precies wat mij (een schoolleven lang opgevoed door Franciscanen) jaar in jaar uit op 4 oktober, dan weer meeslepend, dan weer heel kinderachtig, werd verteld. Zo ongeveer klinkt het sprookje nog na in mijn oren: Het was nadat Franciscus zich tot de bedelstaf had bekeerd dat hij in Gubbio aankwam. Kinderen besmeurden de armzalig in jute gestoken heilige met modder, volwassenen lachten hem uit om wat hij te verkondigen had. In die tijd werd ook Gubbio geplaagd door een verschrikkelijke wolf die mens en dier naar het leven stond. Franciscus, weliswaar beschimpt en besmeurd, kreeg toch medelijden en zei dat ze, als die wolf weer zou komen opdagen, hem dan maar moesten roepen. Iedereen verklaarde hem voor gek, maar toen de wolf eenmaal met zijn bloeddorstig ontblote tanden naderde zei Franciscus: Broeder wolf, je gedraagt je wel heel slecht, je kunt toch niet zomaar mensen en dieren vermoorden. Waarop de wolf antwoordde: Maar ik doe het niet uit moordlust, maar omdat ik honger heb.

Franciscus dacht na en zei toen: Als je nu met mij door de straten van Gubbio loopt zonder iemand aan te vallen, dan beloof ik jou dat de bewoners je voortaan genoeg te eten zullen geven. Tot verbazing van omstanders werd de wolf zo mak als een lammetje en reikte hij Franciscus zijn rechtervoorpoot. Sindsdien leefden in Gubbio wolf en mens in vrede met elkaar en raakten de bewoners zo overtuigd van de boodschap die Franciscus te verkondigen had, dat ze een kerk voor hem lieten bouwen.

Gesprek

Een andere legende waaraan Franciscus zijn faam als dierenvriend te danken heeft en die ook in het boekje dat ik in Assisi kocht wordt naverteld, gaat over zijn gesprek met de vogels. Op voetreis naar Rome merkt hij bij het dorp Cannara dat de vogels niet voor hem wegvliegen maar juist op zijn hoofd, handen en schouders gaan zitten. Franciscus praat met onze gevederde vrienden, maant ze tot stilte, preekt dat ze altijd de Heer moeten dienen en vervolgt weer zijn weg. Een zwerm zwaluwen echter blijkt niet zo gehoorzaam en achtervolgt hem hinderlijk kwetterend tot in Alviano, waar hij de dorpsbewoners wil toespreken. Niemand kan hem daar verstaan vanwege die irritant tjirpende zwaluwen. En dan opeens gebeurt er een wondertje als Franciscus zegt: 'Zusters zwaluwen, nu hebben jullie wel genoeg gekwebbeld, zwijg nu en laat mij mijn preek afmaken.' Wederom zijn de aanwezigen met stomheid geslagen als de zwaluwen netjes luisteren naar deze vermaning.

Het is opvallend en het zegt wellicht iets over de fabelzucht van de rooms-katholieke kerk dat deze mirakels nauwelijks voorkomen in de serieuze literatuur over Franciscus van Assisi. Ook niet in de autobiografische geschriften die hij zelf naliet, al gaf hij met zijn natuurhymne Laudes creaturarum (in het Nederlands vertaald door onze eigen priester-natuurdichter Guido Gezelle) genoeg stof voor bovenstaande verzinsels.

In boeken waarin het sprookjesachtige vernis van Franciscus voorzichtig wordt afgekrabd, valt zelfs helemaal niets te lezen over de heilige als dierenvriend. Paul Sabatier deed in 1894 met Vie de S. Francois d'Assisi (in 1927 in het Nederlands vertaald door Jalink), toen de geschiedschrijving een beslissende ontmythologiserende ontwikkeling doormaakte, een eerste serieuze poging het leven van Franciscus tot meer wereldse proporties terug te brengen. Toch moet hij in de inleiding nog voorzichtig noteren: 'Neen, het is waar, Franciscus heeft niet op den weg naar Siena drie reine en lieflijke jonkvrouwen ontmoet, uit den hemel neergedaald om hem te begroeten; de duivel heeft geen rotsblokken naar beneden geslingerd om hem te verschrikken; maar toch maken zij, die deze gezichten en verschijningen ontkennen, zich schuldig aan een grooter fout, dan zij die er in geloofden.' Waarmee Sabatier al deze onwaarschijnlijke anekdotes, zoals het een historicus betaamt, in hun tijd probeert te begrijpen.

Bronnenstudie

Voor de herkomst van al die dierenverhalen rondom Franciscus kunnen we het best terecht in het monnikenwerk van de Engelse Benedictijn John Moorman, die een uitvoerige bronnenstudie schreef van het leven van Sint Franciscus. Daaruit blijkt dat kort na de dood van Franciscus binnen de ordes een grote verdeeldheid losbarstte en een machtsstrijd uitbrak over hoe het geestelijk testament van Franciscus geinterpreteerd moest worden. Vanwege deze richtingstrijd verloren de monniken de oorspronkelijke doelen van liefdadigheid en barmhartigheid uit het oog. Bovendien, nu de kat voorgoed verhuisd was naar de hemel, begonnen de muizen weer vrolijk op tafel te dansen. De heilige Bonaventura, behorend tot de tweede generatie der Franciscanen, zag dat met lede ogen aan en zette zich aan een biografie van Franciscus die autoriteit afdwong. Joy en gaiety, waar mijn broeder Jozef zo de mond van vol had, raken op het tweede plan in de Legenda Maior S. Francisci, die Bonaventura in 1262 voltooide.

Pas later, eind dertiende, begin veertiende eeuw, als de schoonmaakbeurt van Bonaventura succes heeft gehad en de Franciscanen weer op het rechte pad zijn, krijgt de vrolijke, hippie-achtige atmosfeer met pratende vogeltjes en wolven die zo mak als een lammetje zijn de nadruk. Binnen de muren van de kloosters was het een en ander rechtgezet, maar nu moest men het gewone volk weer overtuigen van de goede bedoelingen. En wat kon er op de middeleeuwse mens overtuigender werken dan die dierenfabeltjes.

Het effect valt niet te ontkennen. Tot op de dag van vandaag viert heel de wereld op 4 oktober dierendag. Of ze zich dit alles in Assisi, en met name in het restaurant waar ik at, nog ten volle realiseren is de vraag. Op de menukaart prijkte een Bisteca San Francesco. Het leek me wijzer maar voor de Pollo alla diavola te kiezen.