De ondraaglijke saaiheid van het kantoor

Na de 'flatneurose' aan het eind van de jaren zestig krijgt de bouwwereld (architecten, aannemers en investeerders) nu het 'sick building syndrome' over zich heen. Dit syndroom heeft te maken met de werksituatie in kantoorgebouwen. In hoeverre het hier gaat om een modeverschijnsel of, zoals de cardioloog A. J. Dunning 11 september in deze krant schreef, om een beschavingsziekte zal de toekomst leren, aldus de architect van het nieuwe VROM-gebouw. Volgens hem komt de kwaal voort uit de ondraaglijke saaiheid van het kantoorbestaan.

In Nederland zijn en worden nogal wat slechte kantoorgebouwen gemaakt. Tal van kantoren die aan het einde van de jaren zestig en begin van de jaren zeventig werden gebouwd, zijn nu rijp voor de sloop (sommige worden al daadwerkelijk afgebroken). De kwaal waaraan die gebouwen lijden is tweeledig: een slechte isolatie, waardoor ze te hoge exploitatiekosten hebben, en veelal ondeugdelijke klimaatinstallaties. Die installaties zijn in het algemeen slecht in te stellen op individuele behoeften, veroorzaken tochtverschijnselen en verspreiden schimmels die zich in de kanalen van de installaties ontwikkelen. Die schimmels werken prikkelend op slijmvliezen en bronchien.

Dat laatste is een fysisch vast te stellen probleem. Het ontbreken van de mogelijkheid het klimaat, de temperatuur, het vochtigheidsgehalte van de lucht en de ventilatie individueel te regelen is meer een psychologisch probleem.

De ene werknemer voelt zich prettig bij 22c, de ander bij20c en weer een ander bij 24c. De onmogelijkheid om dit zelf te regelen maakt dat men soms moet werken bij, voor het gevoel en eigenlijk gaat het daarom onaangename omstandigheden. Voor wie dag in dag uit moet werken aan opdrachten die door anderen worden verstrekt, is het feit dat anderen ook nog de klimatologische condities regelen, misschien te veel van het goede. Het is bevoogding van het prive-domein en dat gaat menigeen te ver.

Goed geisoleerd

In de kantoorgebouwen die nu worden gerealiseerd is het exploitatieprobleem opgelost. Vrijwel alle nieuwe kantoorgebouwen zijn nu goed geisoleerd. In technisch- en economisch opzicht heeft men de zaak aardig onder de knie. Of de situatie op de werkplek zoveel is verbeterd, is nog maar de vraag. In vrijwel al die gebouwen wordt de klimaatknop van hogerhand bediend en dat niet alleen. Er is inmiddels ook zonwerend glas uitgevonden. De beslissing of je de zon wilt binnenlaten of buitensluiten mag dus ook niet meer zelf worden genomen.

Het is nu vaak zo dat de kamertemperatuur steeds 22 c is. De luchtvochtigheidsgraad is vijftig procent, het lichtniveau 600 lux. Het gekleurde glas zorgt voor een grauw licht (crematorium-licht) en om de ideale situatie te bereiken moeten de ramen dicht blijven. Het spiegelende glas heeft trouwens nog een ander negatief aspect (ik noem het wel dieven-ramen). Binnen een gebouw kan men mensen buiten ongezien bespieden. Bovendien wordt van buitenaf gezien geen enkele informatie gegeven over de identiteit van dat gebouw. Het zijn bikkelharde inhumane gebouwen die de stad waarin ze staan koud en kaal maken. Het nieuwe Welstandscollege van Rotterdam waarvan ik voorzitter ben keurt ze daarom consequent af.

In hoeverre is dit alles ziekmakend? Van het werken in zo'n gebouw wordt op zichzelf niemand ziek, afgezien dan van de verspreiding van schimmels door de luchtinstallatie. Dat laatste is technisch op te lossen. De neiging bestaat om de psychologische problemen af te doen als 'welvaartsverschijnselen' of 'gezeur'. Er zijn namelijk zoveel voorbeelden van minder goede werksituaties waar desalniettemin hoge prestaties worden geleverd, dat die opvatting gerechtvaardigd lijkt. Ik ben die mening niet toegedaan, omdat het probleem fundamenteel is zeker als de werkomstandigheden toch al eentonig zijn.

Iedere werknemer heeft het recht in zijn directe omgeving zijn klimaatcondities te kunnen regelen, zelf te bepalen of de zon wordt binnengelaten en zelf de beslissing te nemen of een raam wordt opengezet. Dat lijkt voor de hand te liggen, maar primitieve klimaatinstallaties zijn daar niet op berekend.

VROM-gebouw

Toen ik in december 1985 werd geselecteerd om een gebouw te ontwerpen voor het ministerie van VROM was de discussie over het 'sick building syndrome' in het departement actueel. Een enquete had uitgewezen dat de overgrote meerderheid van de ambtenaren had gekozen voor een vestigingsplaats van hun ministerie in het centrum van Den Haag. Men wilde graag in de buurt zitten van het regeringscentrum en van andere regeringsgebouwen, maar ook 'zachtere' argumenten speelden een rol, zoals de levendigheid van de binnenstad en een goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer.

Met die keuze werd ook een aantal nadelen die nu eenmaal aan het verschijnsel stad vastzitten bijna letterlijk in huis gehaald. De ruimte in een binnenstad is meestal beperkt. Een compact hoog gebouw is dan noodzakelijkerwijs het ontwerpresultaat. Een probleem is, dat bij meer dan tien meter boven de begane grond het meestal een aantal malen harder waait dan op straatniveau, zeker in een kustplaats als Den Haag. Zo'n gebouw moet ramen hebben die zijn voorzien van stevig hang- en sluitwerk, want anders waaien ze eruit. Als ze openstaan waaien overigens de papieren van het bureau.

Een ander nadeel is de hoge geluidsbelasting in de binnenstad, zeker op de voor dit ministerie gekozen lokatie. Er wordt daar, in de buurt van het Centraal Station, 72 decibel gemeten. Met open ramen is dat een geluidsniveau waarbij geen fatsoenlijk telefoongesprek is te voeren.

Ook de kwaliteit van de buitenlucht is er slecht. Het autoverkeer zorgt voor een vervuiling van de lucht door koolmonoxide, met als gevolg dat er door openstaande ramen niet echt frisse lucht binnenkomt.

De consequentie van dit alles zou kunnen zijn dat in binnensteden geen kantoorcomplexen meer worden gebouwd. Toen deze problematiek op het ministerie van VROM aan de orde was, leefde op het ministerie van sociale zaken de wens zelf de ramen te kunnen opzenzetten. Dat was pikant omdat men op het ene departement (Sociale Zaken) neigde naar de conclusie: geen grote gebouwenconcentraties in binnensteden, maar kantoren met hooguit drie a vier bouwlagen in een groene omgeving, terwijl op hetzelfde moment bij VROM de discussie over de compacte stad op gang was gekomen. Milieu-overwegingen speelden daarbij een rol (bevordering van het openbaar vervoer) maar ook het besef dat het fenomeen stad een belangrijke functie heeft voor de ontwikkeling van de handel, industrie, wetenschap, kunst en cultuur.

In de discussie stonden tegenover elkaar: een beleid dat tendeert naar laagbouw in een groene omgeving en een beleid dat tendeert naar hogere gebouwen (echte hoogbouw kennen we in Nederland niet) in een binnenstedelijke situatie. Enerzijds ging het om de wens zonweringen en ramen individueel te bedienen, anderzijds om een gebouw in een in dat opzicht problematisch binnenstedelijk gebied.

Dilemma

Ik stond dus voor het dilemma te moeten bouwen in het centrum van Den Haag, terwijl de mogelijkheden voor de klimaatregeling het bouwen daar ongewenst maakten. Intussen was ik tot de conclusie gekomen dat de oorzaak van het sick building syndrome dieper zit dan die klimaatregeling alleen. De oorzaak zit in de saaiheid van het werk dat men over het algemeen in kantoorgebouwen doet. Door de groei van de bureaucratie is het zo genoemde plankkantoor ontwikkeld een anti-gebouw. Eeuwenlang zijn er gebouwen met ruimtelijke stelsels gemaakt die een hoofdruimte in het hart hebben en in ruimtelijk opzicht naar binnen zijn gekeerd. Het plankkantoor is vrijwel uitsluitend naar buiten georienteerd. Het is een van de saaiste ruimtelijke stelsels geworden in de geschiedenis van de bouwkunst. Het bestaat uit een middengang met aan weerskanten daarvan kamertjes. Aan het raam staat een bureau waarop vroeger een kaartenbak stond en tegenwoordig een beeldscherm.

Het nu zo langzamerhand in technisch opzicht perfecte plankkantoor een legbatterij van hedendaagse kantoorbedienden heeft een saai ruimtelijk stelsel, een saaie temperatuur (altijd 22 C), een saaie vochtigheidsgraad (altijd vijftig procent), saai licht (altijd 600 lux), geen zon, geen frisse lucht (ramen dicht), een saai achtergrondgeluid, namelijk zo'n 32 decibel van de airconditioning. Het is een wonder dat het alleen maar bij ziek worden blijft.