Zwarte tijd voor klein publiek op witte doek

Vandaag is in Rotterdam iets half-verbodens begonnen. In de Sint Laurenskerk, tijdens het bombardement van 1940 zwaar gehavend, speelt zich tot het eind van deze week een studium generale af over misleiding en verzet in het Derde Rijk. Onderdeel daarvan is de vertoning van zeven Duitse films uit de jaren dertig en veertig, die in meer of mindere mate in het teken staan van de nazi-propaganda. De bijeenkomsten zijn uitsluitend toegankelijk voor communicatiewetenschappers en historici. Wat zij daar mogen zien, is voor de rest van het publiek taboe.

Het aanbod is uiteenlopend, maar wordt gekenmerkt door associaties met een zwarte tijd. De smerigste van de zeven is ongetwijfeld de antisemitische Jud Suss uit 1941, het bewust verminkte en gemanipuleerde verhaal van een zwendelende joodse financier aan het hof van de hertog van Wurtemberg. De oudste is Hitlerjunge Quex uit 1933, waarin onwillige, argwanende ouders een voorbeeld moeten nemen aan hun zoontje dat zich met hart en ziel aan de arische zaak wenst te wijden. De bekendste is waarschijnlijk de van nazi-esthetiek vervulde quasi-documentaire Triumph des Willens van Leni Riefensthal. Het grootste publiekssucces werd destijds geoogst door Die grosze Liebe uit 1942, met Zarah Leander als de geliefde van een in de oorlog verwikkelde vliegenier. En in de andere drie (Ohm Kruger, Der grosze Konig en Kolberg) zijn historische episoden herkneed tot leerzame voorbeelden voor het nazi-heden.

Het merendeel is tijdens de bezetting in de Nederlandse bioscopen vertoond. Jud Suss behoorde volgens de recente studie De bioscoop in de oorlog van Thomas Leeflang tot het verplichte assortiment. De recensent van de NSB-krant Het Nationale Dagblad schreef waarderend: 'Het lijkt ons een uiterst moeilijke opgave voor Arische artiesten zich zoo geheel in te leven in hun wezensvreemden Joodschen geest, dat zij deze Joden zoo naar waarheid kunnen uitbeelden.' Het betrof hier boosaardige karikaturen met haakneuzen, de lippen nat van de drank en de buiken dik van het eten.

Geen enkele bioscoop-exploitant zou het ooit nog in zijn hoofd halen een van deze zeven in de normale roulatie te brengen. Sinds de jaren zestig is echter onder historici een discussie gaande over de vraag of het niet nuttig zou zijn de beschikbaarheid van zulke films te vergroten via openbare vertoningen onder bepaalde voorwaarden. Een van de voorstanders, de Leidse historicus Nico Brederoo, meent dat het leerzaam is de vaak gecodeerde propagandaboodschappen op te sporen. 'Je kunt ze prachtig vergelijken met Amerikaanse science-fiction-films van na de oorlog, waarin het over de Russen gaat, of met Vietnam-films als The deer hunter, waarin naar mijn mening racistische manipulatie wordt gepleegd', zei hij dit voorjaar op een congres van de vereniging Geschiedenis Beeld en Geluid. 'Als je die koel bestudeert en de machinaties ontrafelt, kun je mensen weerbaarder maken.' Openbare vertoningen zouden naar zijn zeggen gepaard moeten gaan met in- en uitleidingen. Hij pleit niet voor tv-uitzending, 'want dan zou iemand de inleiding gewoon kunnen uitzetten'.

Maar toen het Nederlands Filmmuseum het ruim zes jaar geleden onder die voorwaarden wilde proberen, met verhoudingsgewijs onschuldiger films uit het Hitler-tijdperk uit de eigen collectie, werd dat onmogelijk gemaakt door een blokkade van enige tientallen leden van de Communistische Jeugdbond en het Verbond van Communisten in Nederland de sector der horizontalen dus. Met de actievoerders was geen land te bezeilen; nazi-films mochten niet meer worden vertoond en daarmee uit. Het Filmmuseum besloot daarop 'met een gevoel van teleurstelling' van de vertoningen in eigen huis af te zien.

Nog vorige maand werd Alex de Ronde, programma-samensteller bij de Nederlandse Filmdagen, geconfronteerd met hetzelfde taboe. In het kader van de retrospectieven, die jaarlijks in het programma worden opgenomen, had hij voorgesteld een aantal propagandafilmpjes van Nederlands fabrikaat te laten zien. Het idee stuitte af op het bestuur en groeide voor voorzitter Rinus Haks, afkomstig uit het communistisch verzet, zelfs uit tot een principezaak: die filmpjes eruit of hij eruit. Zo ver wilde De Ronde het niet laten komen; hij trok zijn voorstel in, maar hoopt er volgend jaar opnieuw over te beginnen.

Over de besloten vertoningen in Rotterdam is zo weinig mogelijk ophef gemaakt, om soortgelijke problemen te voorkomen. Hetzelfde geldt voor de reeks wekelijkse bijeenkomsten voor Rotterdamse scholieren uit het voortgezet onderwijs, die volgende week donderdag begint. Elke week wordt voor hen in klassikaal verband, met leraar een van de zeven films gedraaid. Nico Brederoo houdt de inleidingen. Ute Kirchhelle, directrice van het mede-organiserende Goethe Instituut, barst in hartelijk lachen uit bij de blijkbaar bespottelijke vraag of het langzamerhand niet mogelijk zou zijn openbare vertoningen te beleggen. 'Dat zou niet eens kunnen', antwoordt ze. 'De kopieen van deze films komen via het ministerie van buitenlandse zaken uit Duitsland. Dat is een buitengewoon ingewikkelde kwestie, want in Duitsland is het bij de wet verboden ze te vertonen. Er moet dus elke keer een speciale vergunning worden gegeven, waarbij de huurder precies aangeeft waarvoor ze worden gebruikt. Voor openbare vertoning zou nimmer toestemming worden gegeven.'