Oostduitse 'socialistische broederhulp' op de helling

ROTTERDAM, 3 okt. Voor regeringsleiders in Havana, Oelan Bator en Hanoi heeft de Duitse eenwording vandaag een vervelende bijkomstigheid: met de Duitse Democratische Republiek gaat ook de 'socialistische broederhulp' ten onder.

Die tegenslag komt het hardst aan in Cuba. Voorlopig is alleen de hulp aan dat land volledig gestopt. De centraal geleide economie, hetgebrek aan burgerlijke vrijheden en het uitblijven van politieke hervormingen maken hulp aan Cuba zinloos, aldus de Westduitse minister voor ontwikkelingssamenwerking Jurgen Warnke.

Zijn gewezen Oostduitse collega Hans-Wilhelm Ebeling maakte in aprilal een eind aan de puur politieke projecten, die hij 'een van de zwartste bladzijden uit de geschiedenis van het land' noemde. Tot die bladzijden behoorde onder meer de opbouw van inlichtingendiensten.

Volgens officiele cijfers besteedde de DDR in 1986 0,89 procent van zijn nationaal inkomen aan hulp voor ontwikkelingslanden, ofwel 2,24 miljard mark. Een groot deel daarvan was waarschijnlijk militairen steun. Het Development Assistance Committee, het overlegorgaan van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor ontwikkelingshulp, hanteert veel strengere normen voor het becijferen van ontwikkelingshulp en komt uit op enkele honderden miljoenen dollars Oostduitse steun. Dat is niet meer dan tien procent van de Sovjet-hulp maar wel het hoogste bedrag van de Oosteuropese landen. In 1987 werd een hoogtepunt bereikt met 371 miljoen dollar, waarna een scherpe daling intrad. De Oostduitse hulp was geconcentreerd op een klein aantal 'anti-imperialistische landen', zoals Mongolie, Vietnam, Laos, Cambodja, Cuba, Nicaragua, Mozambique en Angola. De meeste kregen het overgrote deel van hun buitenlandse hulp uit het oude Oostblok.

Behalve Cuba hoeft geen van deze landen te wanhopen. Ze worden dit jaar nog bezocht door missies van de Bondsrepubliek, die gaan bekijken of de Oostduitse projecten 'zinvol' zijn. De vraag is of de hulp aan de bevolking ten goede komt en niet aan de staatsbureaucratieen, legt een woordvoerder van het ministerie voor ontwikkelingssamenwerking in Bonn uit. Het enige dat zeker is, is dat een miljoenenproject voor het behoud van tropisch regenwoud in Vietnam wordt voortgezet, aldus de woordvoerder.

Het debat over voortzetting van de hulp aan Nicaragua is overbodig geworden door de verkiezingsnederlaag begin dit jaar van de sandinisten. Het paradepaardje van de Oostduitse hulp daar, het Karl Marx-ziekenhuis, kan blijven rekenen op Duitse steun en Bonn gaat onderhandelen over de betaling van 500 miljoen dollar die Nicaragua bij de DDR in het krijt stond.

Onderwijs was het hoofdbestanddeel van de Oostduitse hulpinspanning. In de DDR kregen tussen 1970 en 1985 70.000 'kaders' een opleiding. Duizenden Oostduitsers gingen naar de tropen, al was het vaak voor niet meer dan een half jaar. Tussen 1971 en 1980 werkten 15.000 Oostduitse specialisten in ontwikkelingslanden en 55.000 mensen kregen in de Derde wereld een opleiding van de Oostduitsers.

De Oostduitse hulp stond niet in hoog aanzien, niet in het Westen en evenmin in de Derde wereld. De ontwikkelingswerkers waren eerst 'ideologisch geschikt' bevonden en werkten in landen als Cuba en Mozambique zonder dat ze Spaans of Portugees spraken. Het contact met de plaatselijke bevolking was minimaal. 'De meesten wisten bijvoorbeeld niet beter dan hun eigen onderwijssysteem over te planten, zonder zich af te vragen of het wel geschikt was voor een ontwikkelingsland', aldus Birgit Romijn, een Oostduitse die nu in Nederland woont.

Een belangrijke rol was weggelegd voor het solidariteitscomite dat via de vakbonden bij alle werknemers een verplichte 'vrijwillige bijdrage' van maandelijks enkele marken, inhield. Romijn inde een tijdlang die bijdragen. 'Toen het slechter ging, besloot de partij dat de bijdrages werkelijk vrijwillig mochten zijn. Daarna gaf niemand meer wat.' Een van de redenen was volgens haar dat de Oostduitsers vrijwel niets vernamen van wat er met hun geld gebeurde. 'Toen ik later in Nicaragua was, ben ik gaan kijken of het Karl Marx-ziekenhuis er wel stond.' Het stond er, bijna tot verbazing van Romijn.