Nu moet blijken hoe sterk het verlangen is; Eenheidvuurproef voor de Duitsers

Een droom is werkelijkheid geworden maar vrijwel niemand heeft hem nog gedroomd, vermoedelijk maakt deze paradox, deze half verscholen breuk in het gevoel van genoegdoening over de gang van de Duitse zaken het ons moeilijk recht te doen aan het belang van deze derde oktober. Want er kan immers geen ernstige twijfel over bestaan dat de hereniging van de beide Duitse staten een gebeurtenis is van uitzonderlijk formaat. In ieder geval vindt men in de Duitse geschiedenis met moeite een gebeurtenis van een vergelijkbare gelukkige signatuur. De stichting van het Keizerrijk in 1671? Maar deze was, hoewel zij een nationaal verlangen in vervulling deed gaan, toch een staaltje van Blut-und-Eisen-Politik. De revolutie van 1848, waarin de Duitsers zich, naar de fraaie woorden van Theodor Heuss, voor de eerste maal als een volk hebben gevoeld en ervaren? Die is dan toch op een mislukking uitgelopen. Tenslotte blijft vrijwel alleen de vrede over van Munster en Osnabruck die, aan het begin van de hedendaagse Duitse geschiedenis, een einde maakt aan een periode van dertig jaar ellende.

Weergaloos

In werkelijkheid is het herstel van de eenheid na meer dan veertig jaar scheiding een weergaloze gebeurtenis. Deze gebeurtenis is tenslotte, met alles wat daarbij hoort ook de politiek van Gorbatsjov die het mogelijk heeft gemaakt nauwelijks anders te begrijpen dan als de intrede van het wonder in de politiek. Dit geldt ook voor de Duits-Duitse kant van de verbazingwekkende transformatie in het midden van Europa die nu in de eenheid culmineert.

Wat was deze eenheid dan voor de Duitsers in de tientallen jaren van de deling? De langste tijd en helemaal de tien, twintig jaar die nog tot ons heden behoren, bleef zij in het gunstigste geval een richtpunt, nauwelijks nog een mikpunt, en ook dit steeds meer met andere politieke doeleinden. Het aantal mensen dat er gewoon niets meer mee wist te beginnen groeide, niet alleen in het Westen, maar ook in het Oosten. Men doet nauwelijks iemand onrecht als men vaststelt dat de bereidheid om in de eenheid het perspectief te zien van de Duitse politiek, in ieder geval met alle terughoudendheid gesproken aanzienlijk geringer was dan werd toegestaan door het constitutioneel gerechtshof, dat in een vonnis de Duitsers tot eenheid verplichtte.

En was dat een wonder? De deling bracht niet alleen twee staten voort, maar ook, met feitelijk geweld diep insnijdend in wat er was gegroeid, twee samenlevingen, ja twee geschiedenissen, een Westerse en een Oosterse, een van de Bondsrepulbiek en een van de DDR. Nu is ook dat al geschiedenis geworden, ook al is het dat lijdt geen twijfel geschiedenis van blijvende invloed.

Atmosfeer

Des te meer dient eraan te worden herinnerd dat het begin van het Duitse twee-statendom zowel in de Bondsrepubliek als, op zijn manier, in de DDR in het perspectief stond van een hartstochtelijke gedachtenwisseling over de Duitse eenheid. Het onvoorstelbare idee dat de Duitse eenheidsstaat blijvend zou kunnen worden gedeeld, stond voorop bij zo ongeveer alle pogingen om een nieuw staatkundig leven te grondvesten; het bepaalde de atmosfeer van het hele decennium waarin de Bondsrepubliek en de DDR zijn ontstaan. Dienovereenkomstig vanzelfsprekend was dat de eenheid binnen korte tijd moest komen, dus in letterlijke zin een hereniging zou zijn. Artikel 23 van de grondwet, dat de eenheid nu via een eenvoudige toetreding mogelijk heeft gemaakt, heeft deze overtuiging met het geduld van de wet in leven gehouden. Destijds werd die overtuiging door iedereen gedeeld, en niemand hield het voor mogelijk dat de tijd van de scheiding voldoende kon zijn om tussen het Bondsgebied en de 'andere delen van Duitsland' zoals de tekst luidt verschillen te doen ontstaan die een aanpassings- en overgangsoperatie zoals het eenwordingsverdrag, noodzakelijk maakten.

Achter ongeveer alle kernconflicten uit die jaren stond, direct of indirect, het vraagstuk van de eenheid zowel achter de gedachtenwisselingen over de Westerse integratie en de herbewapening, waarin werd gestreden om de politieke plaats van de jonge Bondsrepubliek, als achter de confrontatie tussen de Bondsrepubliek en de DDR. Altijd ging het er ook om of de kans voor de eenheid werd opengehouden of verspeeld. De weg van de Duitsers door deze jaren is daarom ook geplaveid met Duitsland-plannen van alle partijen en van alle soorten, met initiatieven, memoranda en concepten die de nationale eenheid tegen de machtige centrifugale krachten van het Oost-West-conflict trachtten te redden.

Kernvraag

Dat was allemaal veel meer dan alleen maar een politieke zaak. Het gevecht om het behoud van de eenheid, het zich schrap zetten tegen de deling was het grote psychische drama waarmee de jaren van oprichting en opbouw van de Bondsrepubliek vergezeld ging, en voor de DDR vormde het de eigenlijke kernvraag van haar bestaan. De feitelijke deling van het land was slechts de ene kant daarvan; de andere is de psychische geschiedenis van hoop en vertwijfeling, het niet willen aanvaarden en het zich schikken in het onvermijdelijke dat daarmee gepaard ging. Omdat de eenheid voor de Duitsers zowel aan deze als aan gene zijde nog een heel vanzelfsprekende en voor wijzigingen vatbaar geachte grootheid was, joeg de strijd er om de gemoederen hoog op, sloeg wonden en veroorzaakte verhardingen die lang voelbaar bleven.

Aan de basis van deze teleurstellingen en kwetsuren wortelde tenslotte ook het verwijt aan het adres van Adenauer, die als geen ander de jonge republiek in beroering bracht: hij had de eenheid opgeofferd aan de band met het Westen. Aansluitend vooral bij zijn afwijzende houding tegenover de Stalin-nota van 1952, die een weg naar hereniging scheen te openen, had dit voorbehoud onder het tref- en testwoord van de 'gemiste kansen' een halve generatie tegen hem in het harnas gejaagd. Een spoor van deze verbittering reikte nog tot Willy Brandts veel omstreden bewering over de 'hereniging' als de 'specifieke bestaansleugenleugen van de tweede Duitse republiek'.

Dat al deze debatten allang zijn vergeten en weggezakt, maakt duidelijk hoezeer de plaats van de eenheid sindsdien is veranderd. Het laat meteen zien hoe diep de herbezinning op het Duitse vraagstuk is gegaan, waarmee de Duitsers in de Bondsrepubliek al sinds de jaren zestig bezig zijn. Toen aan het begin van dit decennium de filosoof Karl Jaspers ervoor pleitte de zelfbeschikking van de mensen in de DDR voorrang te geven boven de hereniging, ontketende dat nog een storm van protest. Nog geen tien jaar later werd deze verandering van prioriteiten de basis van de politiek tegenover de DDR, eerst van de sociaal-liberale coalitie, daarna van de christelijk-liberale. Want de groeiende overtuiging dat de verbetering van de levensomstandigheden in de DDR en een Duits-Duitse normalisatie belangrijker waren dan het vasthouden aan staatkundige eenheid, vormde de noodzakelijke voorwaarde voor het feit dat de politiek van de kleine stappen steeds meer steun kreeg.

Bittere les

De ommekeer geeft de spanwijdte aan van de verandering, maar nog niet haar diepte, haar logica. De eenheid bleef weliswaar van centraal belang voor de Duitse politiek, maar had nu geen betrekking meer op de staat. De natie de 'eenheid van de natie' werd als summum van het historisch, cultureel en gevoelsmatig gefundeerde saamhorigheidsgevoel van de Duitsers de essentie van de nieuwe politiek tegenover de DDR. In deze verschuiving van een staatkundige aanspraak naar een algemene, zaten de bittere lessen sinds de bouw van de Muur: niet meer de onvoorstelbaarheid van de duurzame deling, maar de onwaarschijnlijkheid en met de jaren ook de ondenkbaarheid van de staatkundige eenheid was de leiddraad van alle politiek. Ook gold de instemming met deze politiek niet alleen de 'eenheid van de natie' die zij wilde handhaven; zij had ook betrekking op het gevoel van opluchting over het feit dat er nu een einde werd gemaakt aan de formules en frasen waartoe de herenigingspolitiek was afgezakt.

Ten slotte doet men de historische diepgang van deze verandering geen recht als men zich er niet van bewust is dat deze gepaard ging aan een verschuiving in de onderstromen van het collectieve bewustzijn. Langzaam, bevrijdde zich in de loop van vele debatten en controverses gedurende de jaren zestig en zeventig zowel het politieke als het historische bewustzijn uit de ban van het Rijk van Bismarck. Niet alleen de nationale staat verloor zijn voorbeeldfunctie, tegelijk speelde voor het nadenken over het Duitse vraagstuk opeens de omstandigheid een rol dat de Duitsers in hun geschiedenis meestal in vele staten hadden geleefd en dat het Rijk van Bismarck daarin slechts een periode was.

Het ligt voor de hand dat de situatie in de DDR anders bleek te zijn. De andere Duitse staat heeft zich veel onontkoombaarder dan de Bondsrepubliek een deel gevoeld en moeten voelen, omdat de wensen, verlangens en behoeften van zijn burgers in eigen land onophoudelijk op willekeurig getrokken grenzen stootten. In tegenstelling tot de Bondsrepubliek heeft de DDR daarom nooit ook maar bij benadering een toestand bereikt waarin zij haar politieke, maatschappelijke en historische identiteit had gevonden. Dat vooral maakte het idee eenheid fascinerend; juist daardoor sloeg de wens tot verandering zo eruptief om in het verlangen naar eenheid, zodra zich hiertoe in het najaar van 1989 de gelegenheid voordeed.

Herstel

Na dit alles is duidelijk dat het herstel van de Duitse eenheid ook een proef voor de Duitsers is op zijn minst een vuurproef. Want nu moet blijken of zowel aan deze als aan gene zijde de wil tot eenwording groot genoeg is om de nieuwe, gemeenschappelijke staat te aanvaarden en in te vullen. Dat de Duitsers tijdens de vier decennia van de deling in de letterlijke betekenis van het woord uit elkaar zijn gegroeid, staat buiten kijf. Het valt af te lezen aan duizend-en-een ervaringen van de afgelopen maanden en ook aan de bedrukte stemming die het hele proces van vereniging is binnengeslopen. Nu rijst de vraag of zij in staat zijn weer samen te leven. Dat hangt echter ook af van de vraag hoeveel eenheid ze willen en nodig hebben.

In 1948, toen de Duitse deling definitief haar beslag kreeg, besloot Reinhold Maier, de liberaal uit Zwaben, zijn toespraak bij de jaarlijkse bijeenkomst op Driekoningen met de woorden: 'Opnieuw trekken wij erop uit om Duitsland te zoeken en daarin eensgezindheid en recht en vrijheid. Moge een goede god helpen ons vaderland terug te vinden!' Men kan in de Duitse naoorlogse geschiedenis de sporen van dergelijk zoeken op veel plaatsen waarnemen, dikwijls genoeg echter alleen op een archeologische manier: misschien zijn het de beste hoofdstukken waarin op deze wijze werd gezocht zocht naar een nieuwe politieke bestaansvorm van de Duitsers. Het is te hopen hopen dat de Duitsers deze nu gevonden hebben.