'Mogelijkheden Bijstandswet worden niet ten vollebenut'

DEN HAAG, 3 okt. Uitvoerders van de sociale verzekeringswetten zouden wettelijk moeten worden verplicht hun clienten te informeren over (gemeentelijke) inkomensaanvullende regelingen.

Dat zei de Haagse wethouder C. V. Martini (sociale zaken en werkgelegenheid) vanochtend bij de presentatie van het rapport 'Ongekende rechten, een onderzoek naar het gebruik van bijzondere bijstandsverstrekkingen en minimafondsen'.

'De mogelijkheden van de bijstandswet en de minimumfondsen worden niet ten volle benut. Het meest zorgwekkende in dat verband is wel dat het 'onder-gebruik' zich lijkt te concentreren bij mensen met een uitkering van de Sociale Verzekeringsbank en van de bedrijfsverenigingen. Dat wil zeggen bij AOW'ers, WAO'ers, AAW'ers en WW'ers. Zoals in de nieuwe Bijstandswet voor de gemeenten een verplichting wordt opgenomen om belanghebbenden te informeren over 'voorliggende voorzieningen', zo lijkt het gewenst in sociale verzekeringswetten een verplichting op te nemen belanghebbenden voorlichting en informatie te geven over financiele regelingen die een lastenverlichting voor hen kunnen betekenen', aldus Martini.

Op basis van de resultaten van het onderzoek is vastgesteld dat een huishouden met een minimum-inkomen jaarlijks te maken heeft met tenminste een bijzondere uitgave. Een groot deel van de ondervraagden vraagt om verschillende redenen echter geen vergoedingaan op grond van de Algemene Bijstandswet of op grond van het gemeentelijk minimabeleid voor deze kosten. De onbekendheid met de mogelijkheden is de belangrijkste reden om geen vergoeding aan te vragen. Dat zegt althans 45 procent van de ondervraagden.

Dit leidt er toe dat een groep huishoudens niet door het sociale vangnetvan de Algemene Bijstandswet en de Toeslagenwet wordt opgevangen. 'Voor een beschaafd land als Nederland staan onaanvaardbaar veel mensen naast het arbeidsproces. We heben 600.000 werklozen, nog eens 200.000 mensen in de bijstand en 860.000 arbeidsongeschikten. Dit beschamend hoge aantal mensen zonder baan drukt vanzelfsprekend zwaar op het overheidsbudget. Hoe zorgwekkend dit gegeven op zichzelf ook is, de lage arbeidsparticipatie is niet primair een financieel-economisch probleem, maar een sociaal probleem', aldus de wethouder. In Den Haag leeft naar schatting een op de drie huishoudens van een minimum-inkomen.

Volgens de plaatsvervangend directeur van de de gemeentelijke sociale dienst in Den Haag, mevrouw J. A. M. Hilgersom, is persoonlijke voorlichting het middel om verbetering in deze situatie te brengen.

'Dit wordt onderstreept door de effecten van de voorlichtingsactie gericht op ouderen in deze stad. Alle ouderen ontvingen een brief met informatie over inkomensaanvullingen met daarbij een uitnodiging voor een persoonlijk gesprek. Deze actie leidde in 1989 tot een verdrievoudiging van het aantal toekenningen uit de minimafondsen en eenaanzienlijke toename van verstrekkingen op grond van de AlgemeneBijstandswet', aldus mevrouw Hilgersom.

Volgens onderzoeker J. Vos van de sociale dienst weten uitkeringsgerechtigde Hagenaars of mensen met een minimum-inkomen over het algemeen wel dat ze in aanmerking kunnen komen voor een extra uitkering voor 'een bril een gebit of voor woninginrichting' maar zijn zij onbekend met andere regelingen. Hij noemt daarbij verhuiskosten, speciale vervoerskosten, extra hoge huur- en stookkosten en kosten in verband met een pasgeboren baby.

Andere redenen waarom mensen geen gebruik maken van bestaande regelingen zijn volgens het onderzoek dat mensen niet willen bedelen, het vervelend vinden hun doopceel te lichten en in de overtuiging leven dat ze toch niet in aanmerking komen. Of, zoals een van de ondervraagden antwoordde, 'Ik ga er alleen heen als ik in ernstige noodben of helemaal blut ben. Ik ga er zeker niet gemakkelijk heen. Ik blijf het vervelend vinden.'