FEESTEN BOVEN EEN ZWART GAT; Snelle eenwording trekt wisselop Duitse welvaart

De viering van de Duitse eenheid in Berlijn heeft veel weg van een feest vlak boven een groot zwart gat. Als de Westduitse oppositie gelijk krijgt, wordt 'eenheidskanselier' Helmut Kohl in de geschiedenisboeken ook de man die de DDR in nieuw verderf stortte door haar veel te vroeg - op 1 juli jongstleden - een monetaire unie op te dringen. De zestien miljoen DDR-burgers mogen vandaag de bruiloft vieren met een groot produktieverlies en torenhoge werkloosheid van twee miljoen mensen. En dan is het dieptepunt nog niet eens bereikt.

Heeft Kohl, die belastingverhoging voor de Duitse eenheid (nog?) afwijst maar intussen wel schulden maakt en kredieten opneemt, mogelijk de ijzersterke economie van de Bondsrepubliek in gevaar gebracht? En daarmee de stabiliteit van de D-mark en, erger nog, wellicht ook de monetaire stabiliteit van de Westeuropese buren?

Op dergelijke vragen hebben de regeringspartijen en de oppositie in het vandaag verenigde Duitsland bijna even categorische, zij het tegengestelde antwoorden. Kohls coalitie van CDU/CSU en FDP verwijt de oppositionele SPD dat zij in rampspoedige scenario's vlucht om haar kansen bij de Bondsdagverkiezingen op 2 december althans nog enigszins te verbeteren.

De verontwaardigde coalitie ziet de SPD zelfs mikken op sociaal-economische Verelendung in Oost-Duitsland en financiele Verunsicherung in het welvarende westelijke deel van het nieuwe Duitsland. Zoals de verontwaardigde oppositie Kohl en de zijnen op haar beurt verwijt dat zij de werkelijke kosten van de Duitse eenheid verzwijgen, onvoldoende bezuinigen en natuurlijk pas na de verkiezingen zullen doen wat zij nu nog onnodig en ongewenst noemen: de belastingen verhogen.

Misschien lijdt het politieke debat in Duitsland nog wel het meest onder het misverstand als zou er de afgelopen maanden in het Duitse eenwordingsproces op economisch gebied echt veel door de politici in Bonn te sturen zijn geweest of zelfs maar wezenlijk te versnellen of te vertragen. Terwijl ook op financieel terrein de politiek de gebeurtenissen nauwelijks kon bijhouden.

Toen de Hongaarse westgrens vorig jaar september openging, even later de Wende in de DDR met Gorbatsjovs zegen begon, Westduitse ambassades in Praag en Warschau in Oostduitse vluchtelingenkampen veranderden en weer even later de Muur openging, werd de Grote Leegloop van de DDR een feit. Alleen in 1989 kwamen er al zo'n 375.000 Oostduitse Ubersiedler naar de Bondsrepubliek, drie kwart daarvan na 1 september. In het algemeen waren dat, anders dan het even grote aantal Aussiedler van Duitse afstamming dat uit andere Oosteuropese landen kwam, jonge mensen, verhoudingsgewijs ook veel goed opgeleide vakmensen.

Wat vandaag overduidelijk uit de statistieken blijkt, is dat het grote verval van de produktie van goederen en diensten in de DDR vorig jaar al spectaculair was geworden. Na 1 januari zwol de stroom Ubersiedler nog wekelijks aan. De meeste Oostduitsers riepen inmiddels niet alleen Wir sind ein Volk, zeer velen gaven daaraan ook uitdrukking door alvast naar de overvolle opvangkampen in de Bondsrepubliek te gaan.

In Westduitse stedelijke gebieden, waar het meeste werk te vinden is, herrees de woningnood als politiek urgent thema. De coalitie van CDU/CSU en FDP, die een paar jaar eerder de sociale woningbouw goeddeels had afgezworen om het heil verder van de markt te verwachten, werd hier kwetsbaar. Zoals zij ook kwetsbaar raakte doordat de voor kleinere groepen Uber- en Aussiedler bedoelde opvangregelingen op de woning- en arbeidsmarkt, nu honderdduizendvoudig moesten worden toegepast. Dat was een ontwikkeling die de SPD onder leiding van Oskar Lafontaine, haar huidige kandidaat-kanselier, op haar politieke waarde begon te schatten.

Op 10 februari - de beschreven situatie was in de Bondsrepubliek al zichtbaar dramatisch geworden - ontvingen kanselier Kohl en minister Genscher in Moskou groen licht voor de Duitse eenheid van president Gorbatsjov. Zij mochten vernemen dat de Duitsers verder geheel zelf over het tempo en de interne voorwaarden van hun eenwording konden beslissen.

Enkele dagen later werd bovendien - op een CVSE-conferentie in het Canadese Ottawa - afgesproken dat de twee Duitse staten over de externe voorwaarden van de Duitse eenheid verder zouden onderhandelen met de Grote vier uit de Tweede Wereldoorlog. Bijna direct was in dit Twee-plus-Vieroverleg duidelijk dat het behalve om de kwestie van het Duitse Navo-lidmaatschap vermoedelijk ook over geld voor Moskou, over miljarden D-mark, zou gaan.

Dat die prijs fiks zou zijn, nog afgezien van de circa honderd miljard mark per jaar die de Duitse eenheid voorlopig 'intern' zal vergen, stond vast. Maar, zoals Genscher het vorige maand in Moskou zei tegen Duitse journalisten, 'als iemand mij een jaar geleden midden in de nacht had gewekt en die prijs had genoemd, had ik er in mijn pyama voor getekend'. Of, zoals Kohl en Genscher het om strijd ook zeggen: als de Duitse eenheid na acht jaar economische hoogconjunctuur niet kan worden betaald, dan kan het nooit.

Hoe dan ook, de aanhoudende enorme mensenstroom uit de DDR en de zekerheid dat de noodlijdende Sovjet-Unie akkoord ging met snelle Duitse eenwording (al was het maar om zo snel mogelijk bij het verenigde Duitsland economische hulp te zoeken), dwongen in februari tot actie. Maar welke? De financiele specialisten van de SPD uit de Bondsdag, Matthaus-Maier en Roth, waren - het kan geen kwaad daaraan ruim een half jaar later te herinneren - in het weekblad Die Zeit voorgegaan. Zij kwamen met een suggestie die met alle economische handboeken in strijd leek: een monetaire unie van beide Duitse staten, ook als middel om de Oostduitse exodus tot staan te brengen.

Terwijl coalitie-deskundigen, de Bundesbank en Westduitse economische instituten bijna in koor schande spraken van dit socialistische idee, en de snelle fusie van twee zo ongelijksoortige en kwalitatief verschillende economieen een onmogelijkheid noemden, besloot Kohl niettemin de DDR op zeer korte termijn de D-mark aan te bieden. Hij deed dat nota bene op dezelfde dag dat zijn minister Haussmann (FDP, economische zaken) een voorzichtig voorstel voor een monetaire unie volgens een gefaseerd drie-jarenplan presenteerde.

Kohls uit nood geboren initiatief werkte voorshands in tweeerlei opzicht perfect. De voor 1 juli aangekondigde komst van de D-mark hield de DDR-burgers in eigen land. En bovendien won verrassenderwijs de CDU, en niet de volgens opiniepeilingen favoriete SPD, de vervroegde Volkskammer-verkiezingen van 18 maart. Voor de monetaire unie werd daarna niet de realistische koersverhouding tussen D-mark en Ost-Mark gekozen die de Bundesbank had aanbevolen, maar een onrealistische en voor DDR-bedrijven gevaarlijke 1 op 1 koers. De politieke psychologie schoof over alles heen. Dat kon ook bijna niet anders. De campagnepoliticus Kohl vergat of miskende dat in elk geval stevig toen hij destijds de honderdduizenden in Rostock, Dresden, Leipzig, Cottbus en Erfurt liet weten dat 'niemand slechter zou worden van de invoering van de D-mark, en velen beter'.

Dat is wel even een slag anders gegaan, al betwijfelt niemand dat de economische perspectieven van het oostelijk gedeelte van Duitsland op middellange termijn gunstig zijn. Wat eind vorig jaar begon, is sinds 18 maart en 1 juli in versneld tempo voortgezet: de Talfahrt van de Oostduitse economie. De zeer snel stijgende werkloosheid wordt statistisch nog verhuld door het verschijnsel van de Kurzarbeit (werktijdverkorting) die er in zeer veel gevallen op neer komt dat bedrijven volledig stilliggen. Het feitelijk failliet van bedrijven wordt zo gemaskeerd.

De barrieres zijn hoog, psychologisch, bestuurlijk en economisch. Het oostelijke deel van Duitsland staat, na ruim veertig jaar zeer geleide SED-economie, nog ver af van de Westduitse sociale markteconomie. Oostduitse lokale en regionale overheden, gewend als zij en hun ambtenaren zijn geraakt aan centrale bevelvoering uit Oost-Berlijn, weten zich nog geen raad met decentrale planning. Vorige week, op het SPD-congres in Berlijn, klaagden vijf sociaal-democratische lijsttrekkers voor de verkiezingen in de Oostduitse Lander (14 oktober) over de onvoldoende omvang van die geldstroom uit Bonn. Maar na enige vragen gaven zij eigenlijk wel toe dat het probleem er mede in bestaat, dat dat geld het lagere bestuuursniveau niet bereikt of daar moeilijk aan het rollen te krijgen is. Aan het eind van hun persconferentie vroegen zij daarom evenzeer om Westduitse ambtenaren als om Westduits geld.

Grote onwennigheid, gebrek aan initiatief, een zeker minderwaardigheidscomplex, de totnutoe niet zo duidelijke toepassing van nieuwe rechtsregels, onhelderheid over eigendomsverhoudingen - het mocht na 1 juli allemaal worden verwacht in de DDR en het is er allemaal ook. Dat verklaart misschien mede de nog afwachtende rol van (grote) Westduitse investeerders, die sommigen cynisch en anderen juist begrijpelijk-voorzichtig noemen.

Met de koopkracht van de Oostduitse bevolking is het, mede dankzij de in jaren opgebouwde spaartegoeden en vele drastisch verbeterde CAO's, niet zo slecht gesteld. Uitheemse voedingsmiddelen en duurzame consumptieartikelen hebben de voorkeur. Mede daardoor floreert een deel van de Westduitse exportmachine nu dank zij de DDR, al daalt het handelsoverschot van de Bondsrepubliek omdat bij de 'gewone' afnemers in de EG en de VS de economie afkoelt. Zo kent de Bondsrepubliek nog steeds een groei van vier procent, terwijl de DDR-produktie ondanks een stevige vraag in ruim een jaar tijd met ruim tien procent is gedaald. Hier mag vandaag worden gesproken van staatkundige eenheid in economische verscheidenheid.

De Bundesbank, waar strenge rekenmeesters regeren, schrijft in haar jongste rapport dat ondanks de nu bekende stijging van energieprijzen voor de Duitse eenwording geen extra belastingmaatregelen nodig zijn. Als Bonn tenminste de komende jaren genoeg op de eigen uitgaven kort (tientallen miljarden per jaar op Defensie, subsidies en de bijzondere steun voor Berlijn en de totnutoe aan de DDR grenzende gebieden) en verstandig gebruik maakt van de voorspelde extra belastingopbrengsten van veertig miljard in '91 tot 150 miljard in '94.

Maar, zo waarschuwde bankpresident Karl Otto Pohl, de financiele grenzen zijn daarmee dan wel bereikt; extra tegenvallers vereisen andere oplossingen. Die boodschap is aangekomen. Vorige week vrijdag herhaalde minister Waigel (CSU, financien) dat belastingverhoging voor de Duitse eenheid niet nodig is. Maar hij voegde daar aan toe dat een verhoging misschien wel om een andere reden nodig kan zijn.