EUROPESE INDUSTRIE VERLIEST COMPUTERSPEL; Samenwerken oftenonder gaan

De Europese computerindustrie is van oudsher zwak. Het is een verzameling kleine en middelgrote bedrijven, ingegraven op hun kleine nationale markten, voor de technologie volledig afhankelijk van Japan en de Verenigde Staten. In de afgelopen tien jaar hebben de Europese bedrijven nooit meer dan een kwart van de eigen Europese thuismarkt in handen gehad. Van de wereldproduktie leveren ze nog geen tien procent. En samen reiken ze maar tot de knieen van grootmacht IBM, die in zijn eentje een kwart van de wereldmarkt beheerst.

Toch is die volgzaamheid voor de Europese bedrijven nooit een belemmering geweest om te groeien. In de paradijselijke kinderjaren van de industrie (de jaren zestig en zeventig) met een jaarlijkse groei van twintig tot dertig procent, was er plaats voor iedereen, ook voor kleintjes en kneusjes. De Europese bedrijven konden zich veilig wanen achter hun landsgrenzen, bevoordeeld, zelfs vertroeteld door hun nationale overheden.

Daarbij hadden ze nog andere verdedigingswallen opgeworpen. 'Om zich te ontworstelen aan de hegemonie van IBM' hadden ze zich verschanst achter hun eigen bedrijfsgebonden computersystemen, zegt D. Ruffat, president-directeur van het Franse Bull International. Een onderneming die eenmaal bij hen had gekocht, was wel gedwongen terug te keren, als ze haar investeringen in speciale computerprogramma's niet verloren wilde laten gaan.

Nu dreigt dat isolationisme de Europese bedrijven de nek te kosten, omdat technische en geografische grenzen vervagen en de bedrijfstak eindelijk volwassen wordt.

Verdringing

De mainframe, de grote computer, is niet langer de drijvende kracht achter de computerindustrie. Dankzij steeds snellere, steeds krachtiger chips hebben de middelgrote computers, de mini's, hun grote broers op tal van plaatsen verdrongen. Tegelijkertijd hebben de kleine computers, de micro's, allerlei taken van de mini's overgenomen. 'Downsizing' noemen ze dat verschijnsel in de computerindustrie.

Nog geen tien jaar na zijn lancering is de personal computer met een omzet van negentig miljard dollar goed voor eenderde van de mondiale computermarkt. En veel computerbedrijven hebben door schade en schande moeten ervaren, dat het verkopen van pc's hele andere eisen stelt dan de afzet van mainframes of mini's. Pc's verkopen vereist indirecte distributie, agressieve marketing, snelheid en flexibiliteit: 'vaardigheden waar Europese bedrijven traditioneel niet bepaald in uitblinken', zegt D. Le Bourhis van het marktonderzoeksbureau Dataquest.

Er geldt ook een andere kostenstructuur. De pc-industrie kent niet zoals de mainframe-wereld een scala aan bedrijfsgebonden besturingssystemen, die marges tussen de zestig en zeventig procent garanderen. Het besturingssysteem MS-DOS is algemeen aanvaard en dat betekent dat iedere fabrikant dezelfde pc's kan maken voor mondiale verkoop. 'Hardware wordt een grondstof', zegt V. Levi, president-directeur van Nokia Data. 'Pc's worden standaard-apparaten', zegt G. Nelson, directeur van Dataquest.

Die ontwikkeling treft in toenemende mate ook de minicomputers. Grote ondernemingen die jarenlang hebben geinvesteerd in een veelvoud aan automatiseringssystemen, komen er plotseling achter dat ze met een wangedrocht zitten. Om niet tenonder te gaan is sanering van de systemen noodzakelijk. Om de wildgroei te beteugelen hebben de computerbedrijven hun toevlucht genomen tot de zogeheten 'open-systemen', zoals Unix, die het mogelijk maken dat apparatuur van verschillende fabrikanten aan elkaar wordt gekoppeld. Zo worden ook de mini's steeds meer bulkgoederen waarmee alleen geld kan worden verdiend door de goedkoopsten, de snelsten en de grootsten in de industrie.

Gekrompen marges

De computerbedrijven zagen die ontwikkeling wel aankomen; ze hebben haar zelfs mede op gang gebracht. Maar wat hen verrast heeft, zegt D. Ruffat van Bull, is de snelheid waarmee de overgang van de 'proprietary systemen' naar de standaard-systemen zich aandient. De marges op Unix-systemen zijn 'maar' circa veertig procent, op MS-DOS-apparaten zo'n dertig procent, de helft lager dan bij de bedrijfsgebonden systemen. Veel bedrijven zijn in financiele problemen gekomen doordat ze hun kosten niet snel genoeg hebben aangepast.

Daarbij komt dat de markt veel minder sterk groeit dan de bedrijfstak had voorzien. Dr. B. Lamborghini, directeur van Olivetti, wijt dat aan 'de turbulentie, de discontinuiteit in de industrie die bij afnemers tot verwarring en terughoudendheid leidt'. Vorig jaar groeide de Europese pc-markt nog met 31 procent. Voor dit jaar voorspelde Dataquest een aanwas van 20 tot 22 procent. Inmiddels ziet het er naar uit dat de verkoopstijging dit jaar de vijftien procent niet te boven zal gaan.

In andere marktsegmenten manifesteert die stagnatie van de groei zich nog veel sterker. De verkoop van mainframes neemt nog toe met circa vijf procent per jaar. De afzet van bedrijfsgebonden mini-computers loopt zelfs terug. Voor 's werelds twintig grootste computerfirma's voorziet het organistiebureau Arthur D. Little tot 1995 een jaarlijkse gemiddelde groei van acht tot tien procent, nog niet de helft van de groei in de kinderjaren.

Nog steeds gaat het in de bedrijfstak om groeipercentages en winstmarges die in traditionele sectoren als de textiel of de scheepsbouw als ongekende luxe zouden worden beschouwd. Maar in de verwende computerindustrie betekent dat afzien, en voor sommige firma's onvermijdelijk sterven. De computerindustrie, zeggen de deskundigen, zeggen de bedrijven zelf, koerst af op een periode van consolidatie en concentratie. De recente overnemingen van Nixdorf door Siemens en van het Britse ICL door het Japanse Fujitsu zijn niet meer dan eerste schoten voor de boeg.

De malaise in de bedrijfstak treft de verzwakte Europese industrie veel zwaarder dan de financieel krachtige Japanse firma's. Zwaarder ook dan de Amerikaanse bedrijven, die zich door de zwakke dollar gesteund weten.

De zes grootste Europese computerconcerns lijden dit jaar samen een verlies van naar schatting anderhalf miljard gulden. Ze schrappen in totaal meer dan 11.000 banen. Maar het veegste teken is dat ze allemaal, op Siemens na, marktaandeel verliezen.

Verzadigd

De Europese computerindustrie dreigt te worden platgewalst. De strijd om de wereldmarkt in mainframes heeft Europa al verloren. In een bijna verzadigde markt, waar de internationale verhoudingen voor eens en voor altijd lijken vast te liggen, waar IBM en aanhang de dienst uitmaken, rest voor Europese mainframe-fabrikanten Bull en Siemens alleen maar de marge. Terwijl hun ontwikkelingskosten steeds stijgen, blijft hun klantenbestand gelijk. Alsof ze worden ingesloten door de vloed.

Maar ook in de markten voor mini's en pc's, waar de beslissende slag nog maar net is ontbrand, zitten de Europese bedrijven in de verdrukking. Door lagere groei, lagere marges en open systemen hebben de ondernemingen een steeds groter marktaandeel nodig om nog te kunnen concurreren. Bij die schaalvergroting zijn Amerikaanse en Japanse bedrijven sterk in het voordeel doorhun omvangrijke thuismarkten en omdat ze, in vergelijking met hun Europese collega's, vaak een sterkere internationale positie hebben.

Daar komt nog een andere ontwikkeling bij. Computerbedrijven kunnen het zich niet langer permitteren alleen maar 'kastjes' te verkopen, die de klant dan zelf maar nuttig moet zien te gebruiken. Klanten eisen steeds meer kant-en-klare oplossingen, specifieke toepassingen, op maat gesneden systemen. Dat dwingt de fabrikanten hun aandacht te verleggen van hardware, de apparaatjes, naar software en systeemintegratie, de computerprogramma's die de werking van de apparaatjes bepalen. Zo verdient het Britse ICL inmiddels zelfs 47 procent van de omzet met software en dienstverlening.

Die omwenteling biedt de computerfirma's grote voordelen, want met specifieke toepassingen is nu eenmaal makkelijker geld te verdienen dan met standaard-apparaten. Tegelijkertijd is ze voor sommige firma's levensbedreigend, want ze vergt een ware metamorfose. 'Alsof je een vis vraagt vogel te worden en daarna zoogdier', zegt G. Nelson van Dataquest. Bedrijven die deze evolutie niet kunnen volgen, zijn tot uitsterven gedoemd.

Een door software gedreven computerindustrie lijkt de Europese firma's in de kaart te spelen. Zij zijn tenslotte gewend te opereren in een gefragmenteerde markt waar elk land zijn specifieke eisen stelt. Ze zijn van oudsher sterker in ontwikkeling van software dan in produktie en in de software vaak sterker dan de Japanners.

Maar de Europese bedrijven ontberen de omvang, de breedte, de internationale aanwezigheid, die ook noodzakelijk zijn voor een mondiale systeemleverancier. De grote klanten willen niet meer te maken hebben met duizend-en-een bedrijfjes, die langs elkaar heen een onontwarbaar informatie-netwerk bouwen. Ze geven de voorkeur aan grote automatiseerders, die thuis zijn in alle belangrijke marktsegmenten, in alle belangrijke regio's.

Tweedeling

Geleidelijk, maar sneller dan gezond is voor de meeste bedrijven, ontstaat zo een tweedeling in de bedrijfstak. Aan de ene kant een selecte groep van generalisten, van giganten, die mondiaal actief is, een marktaandeel heeft van tenminste vijf procent en over omvangrijke financiele reserves beschikt. Aan de andere kant de kleintjes, die zich hebben genesteld in een nis van de markt, specialisten in een bepaald produkt, een bepaalde toepassing, een bepaalde uithoek van de globe.

Voor de middelgrote bedrijven, waartoe de zes grootste Europese vertegenwoordigers behoren is, aldus de mening in de industrie, geen plaats meer in die wereld van reuzen en lilliputters. Ze hebben geen andere keuze dan zich een weg te bevechten naar boven of zich te laten afzakken naar het domein van de kleine specialisten. Ze kunnen zich natuurlijk ook laten opslokken, zoals het Britse ICL.

Bedrijven als Philips Informatiesystemen, Nokia Data en Norsk Data hoeven zich al geen illusies meer te maken. Zij zijn veroordeeld tot het kleine grut. Ze vluchten tijdelijk in een specialisme. Of ze haken aan bij een groter concern.

De ambities van Bull en Siemens en ook van Olivetti reiken voorlopig iets verder. Zij willen 'Generalanbieter' zijn, zoals A. F. Doehler, directeur van Siemens Nixdorf Informationssysteme, het zegt. Zij willen tot 'de eredivisie behoren', zoals Ruffat van Bull het uitdrukt. Of zoals Lamborghini van Olivetti beklemtoont: 'Wij willen een wereldonderneming zijn.'

Alleen de aanpak van de drie bedrijven verschilt. Om straks tot de mondiale computer-elite te behoren moet je alle maten klanten kunnen bedienen, moet je alle maten computers in huis hebben, niet alleen pc's, maar ook mini's en mainframes, zegt Doehler van Siemens Nixdorf. Ruffat van Bull is het met hem eens.

Lamborghini van Olivetti daarentegen zegt 'dat het onmogelijk is om op alle terreinen te investeren. 'We moeten ons toeleggen op die produkten, waarin we nog een leidende rol kunnen spelen, zoals randapparatuur en personal computers', zegt de Italiaanse topman. 'De rest kopen we in.'

Volgens Le Bourhis van Dataquest weerspiegelen de verschillende opvattingen de uiteenlopendes sterktes van de bedrijven en zijn ze allemaal plausibel. Grote gemene deler is, dat een wereldbedrijf in computers 'overal present moet zijn, maar niet alles zelf hoeft te doen', zegt Le Bourhis. 'Als je maar zorgt dat je op bepaalde deelterreinen een sterke positie hebt, kun je de witte vlekken met allianties vullen.'

Allianties

In de huidige samenstelling is geen van de drie grootste Europese bedrijven nog zeker van een ereplaats. Bull kan bogen op de meest internationale omzetverdeling, maar kampt met grote organisatorische en financiele problemen. Siemens Nixdorf is financieel het gezondste, maar haalt slechts veertig procent van zijn verkoop buiten Duitsland. Olivetti wordt nog altijd voornamelijk als 'pc-boer' gezien.

Om alsnog voldoende 'kritische massa' te bereiken en zwaktes weg te werken, zeggen alle Europese firma's naar allianties te streven. Maar dat is een ideaal dat ze uitsluitend belijden met de mond. Sinds het echec van Unidata vijftien jaar geleden - een poging om een Europees mainframe-verbond te sluiten - zijn alle onderhandelingen over een daadwerkelijke Europese krachtenbundeling steeds weer stukgelopen op nationale trots, achterdocht en kortzichtigheid.

Siemens heeft over samenwerking gesproken met ICL, Olivetti met Nixdorf, Philips met Olivetti. Dat heeft niets opgeleverd. Liever dan op pragmatische, planmatige wijze tot een sterke Europese computerindustrie te komen, wachten de bedrijven af wie de langste adem heeft.

Eensgezind zijn de Europese computerfabrikanten wel als het erop aankomt steun te verwerven in Brussel. Ze hebben de Europese Commissie gewaarschuwd dat het niet langer voldoende is alleen onderzoek en ontwikkeling te subsidieren. De Europese Commissie zou ook de vraag moeten stimuleren door invoering van zogenoemde trans-Europese informatiesystemen, een elektronisch Europees Zenuwstelsel dat in tien jaar zo'n dertig tot veertig miljard gulden zou kosten. (Denk bij voorbeeld aan een Europees datanet voor de politie.)

De Europese commissaris voor technologiebeleid, F. P. Pandolfi, heeft welwillend op die suggestie gereageerd. Hij heeft verklaard dat het voor Europa van het grootste strategisch belang is een eigen computerindustrie overeind te houden. Maar hij heeft er wel aan toegevoegd dat dit alleen mogelijk is als een 'grootscheepse reorganisatie' een einde maakt aan 'de inadequate, inefficiente' Europese bedrijfsstructuur.

Misschien dat het water de meeste Europese bedrijven inmiddels zo na aan de lippen staat, dat ze eindelijk echt tot samenwerking bereid zijn. Bij voorbeeld zoals in de Europese automobielindustrie, waar concurrenten als Volvo en Renault elkaar voorzien van sleutelcomponenten, zegt Le Bourhis van Dataquest. Gebeurt dat niet, dan betekent dat uiteindelijk de ondergang van de Europese computerindustrie.

Dit het zesde en laatste deel van een serie artikelen over de Europese computerindustrie

    • Michel Kerres
    • Dick Wittenberg
    • Europese Computerindustrie