Einde van een morele en politieke mislukking

BONN, 3 okt. De DDR heeft haar eenenveertigste verjaardag dus net niet gehaald. Binnen een jaar na de grootscheeps opgezette 'officiele' viering van haar veertigjarig bestaan is zij gedemaskeerd als moreleen politieke mislukking en nu ook formeel ter ziele. Ja, dat feest van de SED, Erich Honeckers communistische eenheidspartij, 6 en 7 oktober vorig jaar, provoceerde zelfs een volksbeweging die tot het einde van de boeren- en arbeidersstaat voerde.

Dat was zeker aanvankelijk een complete verrassing, er zal hier en daar bij Westduitse en andere inlichtingendiensten intern wel een duwtje gegeven zijn. In de Bondsrepubliek, maar ook in andere Westerse landen, was natuurlijk bekend dat de DDR-burgers graag wat makkelijker en vaker de grenzen van hun republiek zouden willen passeren, endan in westelijke richting. Maar er werd langzamerhand toch een geleidelijk gegroeide band tussen een grote meerderheid van de Oostduitsers en hun staat verondersteld. De DDR-burger verdroeg zijn staat toch zonder al te veel merkbaar leed?

Het was in de DDR trouwens ook helemaal niet zo slecht als allerlei Westduitse 'totalitaire anticommunisten' (een woord van Gunter Gaus) dachten. Zelfs in een bezadigd links-liberaal weekblad als DieZeit waren een paar jaar geleden reportages te lezen, bijvoorbeeld van een autoriteit als Theo Sommer, waaruit kon blijken dat menigeen de idyllische waarde van dat verre Duitsland-dichtbij onderschatte.

Onderschatte? Naoorlogse generaties Westduitsers, groeiend in welstand en getal, hadden de herinneringen van hun ouders niet. Evenmin kenden zij de DDR uit eigen waarneming. De Provence of Toscane, als de kinderen nog klein zijn Knokke of Scheveningen eventueel. Maar Thuringen? Sachsen-Anhalt? Of Cottbus? De Oostduitse Wende had zogezien niet zo heel veel later moeten komen, althans wat de Duitse eenwording betreft. Want de DDR was voor steeds meer inwoners van deBondsrepubliek hard op weg om 'ein fernes Land' te worden dat vergelijkenderwijs niet zo interessant was.

Bovendien, en dat was misschien wel het belangrijkste, aan het bestaan als staat van de DDR, de betrouwbaarste en economisch voornaamste partner van de Sovjet-Unie, leek maar weinig te veranderen. Een politiek van 'kleine stappen' in het belang van de Oostduitse mensen, was dat niet het enige alternatief? Het is gemakkelijk om daarover vandaag de staf te breken, maar het leek eenlogische redenering.

De huidige Gorby, de vrijmaker van Oost-Europa, was trouwens nogniet opgestaan. Die schreef, zoals Jens Hacker in de Frankfurter Allgemeine van 26 september in herinnering brengt, in '87 in zijn bestseller 'Perestroika' nog over de 'gemeenschappelijke belangen van de socialistische broederstaten'. Zoals hij eind dat jaar op zijn partijcongres sprak over 'de gemeenschappelijke zaak van het socialisme'. Gorbatsjov was zich toen waarschijnlijk nog verder aan het invechten in het Kremlin, maar ook dat is een wetenschap van vandaag.

In elk geval klonken er in de late jaren tachtig vooral in SPD-kring steeds vaker pleidooien om nu eindelijk het Oostduitse staatsburgerschap maar eens te gaan erkennen. En om de preambule op de Westduitse grondwet te schrappen. Die preambule die de regering in Bonn de opdracht geeft (sinds kort: gaf) om te streven naar eenheid in vrije zelfbeschikking voor alle Duitsers. Een opdracht die volgens de vroegere regeringswoordvoerder Klaus Bolling het karakterhad 'van een verhulde politieke oorlogsverklaring aan het adres vande DDR'. Dezelfde opdracht waarvan CDU-kanselier Kohl deze week met enig recht op het congres van zijn partij zei: stelt u zich eens voor dat wij daaraan niet zouden hebben vastgehouden.

Knipoog

Want het blijkt tussen de DDR en haar bevolking toch heel anders geweest dan velen in West-Europa tot voor kort dachten of wilden denken. Dat gold vorig najaar zelfs ook voor de verjaarsgast Michail Gorbatsjov, die de burgers in Oostberlijnse straten een knipoog gaf en hun verzekerde dat de geschiedenis afrekent met machthebbers die de bakens niet tijdig verzetten. Hij maakte daarmee een grondgolf los waarvan hij zelf de draagwijdte kennelijk niet geheel overzag. Nog eind vorig jaar immers voorspelde hij in Kiev aan de Franse president ('A Paris, on n'aime pas le roi de Prusse') dat op het moment dat de Duitse eenheid tot standzou komen de macht in het Kremlin door een maarschalk zou worden overgenomen.

Een historicus zou liever nog even wachten. Maar politici, journalisten en geinteresseerde tijdgenoten kunnen dat niet. Waar moet zo'n verhaal beginnen? Bij de CVSE-akkoorden van Helsinki (1975), die de Oosteuropeanen wat meer vrijheden en de Sovjet-Unie een bevestiging van haar Oosteuropese voorterrein brachten? Bijde oude Ronald Reagan die de Verenigde Staten met veel retorisch geweld ontdeed van Vietnam-, Watergate- en Iran-trauma's? Die Moskou liet schrikken met de jarenlange groei van de Pentagon-uitgaven en zijn Star-Wars-rede (maart '83), en en passant zijneigen land ook een zwakke dollar en een grote schuld bezorgde? Begon de Sovjet-Unie als declining empire al in '83 onder Andropov, ten tijdevan de feitelijke plaatsing van kruisraketten en Pershings, aan een pijnlijke heroverweging, en pakte de nog meer bezorgde Gorbatsjov twee jaar later die draad op? Die laatste veronderstelling is te 'mechanisch', hoorde ik laatst in een gesprek met collega's. Daaromtrent moet dan maar op de historici van straks worden gewacht.

Johnny Walker

De keuze van het moment is dus arbitrair, maar zeker is dat 7 mei 1989 een belangrijke dag was voor de uiteindelijke liquidatie van de DDR. Honeckers politieke pleegkind Egon Krenz, die later dat jaar nog even als dagelijks retirerend stadhouder de DDR zou leiden, had kort daarvoor het optreden van de Chinese machthebbers tegen de demonstrerende studenten op het Plein van de Hemelse Vrede hartelijkgoedgekeurd. Krenz ('s Avonds om zeven uur vertrekt Karl Marx, dan komt Johnny Walker', typeerde de Bildzeitung) hielp de uitslag van de Oostduitse gemeenteraadsverkiezingen op 7 mei zo krachtig te vervalsen (98,5 procent voor de communistische SED en de met haar samenwerkende blokpartijen), dat het in de DDR sterker begon te broeien.

Dat was vooral zo binnen een groep intellectuele dissidenten, soms mensen die in de DDR geen makkelijk leven hadden maar niet hadden willenweggaan ('Wir bleiben hier'). Een klein gezelschap, een voorhoede van schrijvers, theologen en hervormingsgezinde socialisten die niet het einde van de DDR wilden maar een andere, minder stalinistische en meer democratische staat. Want er leek eigenlijk geen vuiltje aan de lucht, anderhalf jaar geleden. Als de SED-top tenminste meer in beweging had willen komen, en de frequente hervormingssignalen uit Moskou niet als levensgevaarlijke nieuwlichterij had gezien.

Wat burgerlijke protestgroepen als het latere Neues Forum en Demokratie Jetzt wilden was (en is eigenlijk nog) immers een 'betere DDR', niet het verdwijnen ervan. Wat iedereen dwars zat, ook de vele 'gewone' Oostduitsers die zich in hun dictoriale communistische eenheidsstaat in een abstinente particuliere Nische hadden teruggetrokken, was het ontbreken van vrijheid om te reizen. Reizen naar andere landen, vooral naar de Bondsrepubliek, het 'andere Duitsland', dat avond aan avond in zijn volle kapitalische welvaart op het televisiescherm te zien was. Het land van Kaufhof, Tigges-Reisen, Derrick, Mercedes of desnoods de VW-Golf dus.

In september was de Hongaarse westgrens opengegaan voor Oostduitsersdie naar het Westen, naar de Bondsrepubliek, wilden. Via de Westduitse ambassades in Praag en Warschau waren in september duizenden DDR-vluchtelingen na dagen Oostberlijns chickaneren al naar Westduitse opvangkampen verhuisd. Op 6 en 7 oktober sloeg een massale protestgolf door de DDR, vooral (maar niet alleen) door steden als Oost-Berlijn, Leipzig en Dresden.

Toeval

Zoals in de cruciale fase van omwentelingen vermoedelijk steeds het geval is speelde het toeval een belangrijke rol. Op 7 oktober vorig jaar, tegen het einde van de viering van het veertigarig bestaan vande DDR, stond een demonstatie van enkele tientallen jongeren op de Oostberlijnse Alexanderplatz voor een aarzelend-afwachtend publiek op het punt om te verlopen. Tot de Volkspolizei en de Stasi, de gehate staatsveiligheidsdienst, toch nog hardhandig ingrepen. Binneneen kwartier was er toen een betoging van vele duizenden, die urenlang in een dikke protestsliert door de stad trokken. Terwijl het optreden van de Oostduitse jeugd in uniform (of in de uniforme Stasi-vermomming) tegen de betogers steeds botter werd, liepen de bezwaren tegen sommige praktijken van de DDR-staat uit op protesten tegen die staat zelf.

In Leipzig, op 9 oktober, stond een zeer massale protestavond vooral in het teken van de vraag of de grootscheeps aangevoerde veiligheidstroepende honderdduizend demonstranten te lijf zouden gaan of niet. Wie of wat er uiteindelijk voor heeft gezorgd dat het die maandagavond in Leipzig niet tot bloedvergieten kwam Krenz (zoals hij later zei), SED-chef Honecker zelf, of de Sovjet-legerleiding (zoals oud-kanselier Brandt gelooft) is nog steeds nietduidelijk. Maar, zoveel is zeker, na die dagen in Oost-Berlijn en Leipzig was de DDR niet meer zoals daarvoor.

En ook de Muur ging op 9 november betrekkelijk 'toevallig' open en was natuurlijk door de radeloze SED-top niet meer te sluiten. Ofzij heeft beseft dat de opening van de grenzen het einde van de DDR inhield als er intern niet het nodige veranderde? Of voorzag zij dat methet openen van de grenzen het einde sowieso onvermijdelijk was? Feit is dat, toen de Oostduitsers eenmaal in grote aantallen gemakkelijk naar de Bondsrepubliek konden reizen, met het kostelijke Westduitse Begrussungsgeld in de achterzak, de leuze 'Wij zijn het volk' snel veranderde in 'Wij zijn een volk'.

Zo werd de revolte van Neues Forum in een paar weken tijd de revolte vande D-mark en dus ook van Helmut Kohl. De moedige dissidenten van het eerste uur, die het socialistische experiment graag onder betere omstandigheden en met meer menselijke vrijheden hadden voortgezet, en daarvoor soms grote persoonlijke risico's hadden willen nemen, bleven ontgoocheld achter. Zij moesten in een paar weken tijd plaatsmaken voor de consumptieve en andere banale ambities van miljoenen zeer modale Oostduitsers, die plotseling collectief de vijand van gisteren toejuichten, iemand als CDU-kanselier Helmut Kohl. Dat was hard. Maar het was ook, al is er vaak smalend over gedaan, de gewoonste zaak van de wereld. De agenda is op straat geschreven; al eind 1989/begin 1990, na drie maanden dus, stond vast dat ging gebeuren wat vandaag is gebeurd.