EEN KOSTBARE OVERNEMING

De werkloosheid in de Bondsrepubliek is vandaag in een klap ruim verdubbeld tot een kleine vier miljoen mensen en de overheid komt alleen dit jaar al meer dan honderd miljard mark tekort, waardoor de nationale schuld boven de 1.000 miljard mark wordt uitgetild. De Duitse eenwording is een feit.

De Bondsrepubliek is vanmorgen bijna met de helft in oppervlak toegenomen en viert feest, geld speelt even geen rol. Maar de internationale financiele wereld ziet met lede ogen toe hoe de rekening van het Duitse feestje snel oploopt, zonder zicht op een eindbedrag. Vast staat dat de Bondsrepubliek, na Japan de grootste internationale geldschieter, nu zelf geld nodig heeft, en dat op een moment dat een slinkend internationaal aanbod van geld de rente toch al opdrijft.

Volgens een ruwe schatting is de komende tien jaar in totaal rond de 2.000 miljard mark nodig om het oostelijk deel van Duitsland weer op de been te krijgen, maar een duidelijk overzicht is er niet. Medewerkers van het gezaghebbende onderzoeksinstituut Hamburgisches Welt Wirtschafts Archiv (HWWA) maakten afgelopen week een wanhopige indruk. 'Het lukt niet eens een telefonische verbinding met Oost-Berlijn te krijgen' klaagt onderzoeksleider dr. Peter Plotz. 'Het is echt een chaos' verzucht zijn collega Wolfgang Schaft. 'We weten niet eens wat de werkelijke produktie in de voormalige DDR is'. Er valt hooguit een globaal beeld te schetsen.

Het verenigde Duitsland begint desondanks zelfverzekerd aan het avontuur: met ongeveer een kwart van de bevolking en een evengroot deel van de produktie van de Europese Gemeenschap is het de locomotief van Europa. En Duitsland is de grootste exporteur in de wereld. De regering in Bonn denkt dank zij de al acht jaar durende economische groei de rekening zonder belastingverhoging te kunnen voldoen. De oppositie acht dat uitgesloten en voorspelt financiele rampspoed.

Sinds vanmorgen vroeg de reusachtige vlag voor het Rijksdaggebouw in Berlijn wappert, is het aantal werkenden in de Bondsrepubliek met een kwart gestegen van 28 naar 35 miljoen. Maar de zeven miljoen werkende Oostduitsers produceren evenveel als ruim twee miljoen Westduitsers. Op basis daarvan kan worden geschat dat de produktie in de Bondsrepubliek vandaag met zeven procent stijgt van 2.300 miljard mark naar ongeveer 2.500 miljard.

Omdat de bevolking met een kwart toeneemt tot 79 miljoen zielen zou voor het optrekken van de Oostduitse inkomens naar Westduits niveau de totale produktie met een kwart moeten stijgen van 2.300 naar 2.900 miljard mark. De Duitsers in het Oosten brengen 200 miljard mark in terwijl dat eigenlijk 600 miljard mark zou moeten zijn. De Oostduitsers zouden derhalve ongeveer 400 miljard mark extra moeten produceren. Zelfs met een produktiegroei van tien procent per jaar - de groei tijdens het Wirtschaftswunder in de Bondsrepubliek in de jaren vijftig - hebben ze daar dik tien jaar voor nodig.

Elke mark aan extra produktie vergt ongeveer twee mark aan kapitaalgoederen (machines, gebouwen en dergelijke) zodat de noodzakelijke bedrijfsinvesteringen volgens een ruwe schatting op 800 miljard mark uitkomen. Het is uiterst onzeker of dit geld ook op tafel komt; Westerse investeerders die dat bedrag moeten opbrengen, tonen nog weinig belangstelling omdat veel onzekerheid bestaat over eigendomsverhoudingen, loonhoogten en omvang van bedrijfsschulden. De slechte infrastructuur - kapotte wegen, krakende telefoonlijnen en grootschalige milieuvervuiling - maakt investeerders uit het Westen kopschuw.

Overheidsinvesteringen in de infrastructuur en andere faciliteiten zijn daarom de tweede grote kostenpost op de rekening van de Duitse eenwording: 200 miljard mark voor wegen, bruggen en spoorlijnen, 55 miljard voor telefoon, 50 miljard voor energievoorziening, 200 miljard voor woningen, 150 miljard voor openbaar bestuur, 100 miljard voor de gezondheidszorg en 200 miljard voor de sanering van het milieu. Globale ramingen die de totale investeringen al opschroeven tot circa 1750 miljard mark.

De rekening loopt nog verder op doordat Bonn flink met de geldbuidel moet rammelen om de eenwording internationaal gesmeerd te laten verlopen. De Sovjet-Unie krijgt 13 miljard mark toegestopt en Bonn stelt zich garant voor de handelsverplichtingen van de DDR met voormalige Oostbloklanden, wat naar schatting zes miljard mark zal kosten.

De overheidsinvesteringen vergen jaarlijks zo'n vijftig tot honderd miljard; het hangt ervan af of de kosten over twintig of over tien jaar worden uitgesmeerd. Aan particuliere investeringen is veertig tot tachtig miljard per jaar nodig. Het gaat in totaal om een jaarlijkse inspanning van 90 tot 180 miljard mark. Ter vergelijking: in de Bondsrepubliek bedroegen de investeringen (overheid en bedrijven) vorig jaar ruim 460 miljard mark. Op grond van een simpele rekensom moet de Bondsrepubliek bij de bevolkingstoename met een kwart 115 miljard aan extra investeringen kunnen opbrengen. In verband met aanloopproblemen komen de investeringen volgend jaar nog niet aan de helft van dat bedrag.

Zolang grootschalige bedrijfsinvesteringen uitblijven, komt de produktie in het oostelijk deel van Duitsland niet boven de huidige 200 miljard mark uit. Op het moment van de monetaire eenwording, op 1 juli dit jaar, bedroeg het jaarinkomen van de zestien miljoen Oostduitsers 228 miljard mark. Sindsdien zijn de inkomens naar schatting met zeventig miljard opgekrikt tot 300 miljard mark per jaar. Deze loonsverhoging wordt niet gedekt door produktiestijging en komt daardoor voor rekening van Bonn.

De modale Oostduitse werknemer verdient nu nog maar de helft van wat zijn collega in het westen ontvangt. Economen verwachten dat de inwoners van het oostelijk deel van Duitsland voorlopig al tevreden zullen zijn als hun loon op zestig tot tachtig procent van de lonen in het westen van het land komt te liggen. De familieband en dergelijke zouden het merendeel van de beroepsbevolking dan weerhouden van de door Bonn gevreesde trek naar het westen.

Het had voor de hand gelegen dat de regering de loonsverhoging van dit jaar via een soort solidariteitsbelasting had omgeslagen over de inkomens in westelijk Duitsland. Maar met het oog op de verkiezingen in december besloot de regering het geld op de kapitaalmarkt te lenen. Dat betekent dat de kosten in de vorm van rente en aflossingen naar de toekomst worden doorgeschoven.

De regering acht dat acceptabel omdat die bedragen door de economische groei in de toekomst kunnen worden opgebracht. Voor elke procent stijging van het Duitse nationale inkomen vloeit volgens de Oeso (de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling) ongeveer twaalf miljard mark extra in de staatskas in de vorm van belastingen. Met een verwachte groei van 3,5 procent in 1991 zou dat volgend jaar al veertig miljard mark opleveren.

Het geld dat nodig is voor overheidsinvesteringen wordt eveneens geleend, deels via staatsbedrijven als spoorwegen en PTT. Bonn wil verder geld vrijmaken door het stapsgewijs afschaffen van de huidige subsidies voor West-Berlijn en het voormalige grensgebied. Binnen zeven jaar zou hiermee jaarlijks nog eens veertig miljard mark vrijkomen.

De Duitse overheid (centrale overheid, deelstaten en gemeenten) zal volgens de Duitse centrale bank dit jaar ruim 100 miljard mark lenen. Volgend jaar bedraagt het beroep op de kapitaalmarkt naar schatting 130 tot 150 miljard mark. In 1989 leende de Bondsrepubliek slechts 26 miljard mark op de kapitaalmarkt.

Een leningsbedrag van 150 miljard mark is ongeveer zes procent van het nationaal inkomen, wat relatief erg hoog is. Het is ook aanzienlijk in relatie tot de Duitse kapitaalmarkt die jaarlijks beschikt over 280 miljard mark aan spaargelden. Bovendien zijn rentebetalingen met ruim zeventig miljard mark in 1990 al de derde post op de bondsbegroting. De begroting voor het verenigde Duitsland omvat dit jaar 396 miljard aan uitgaven.

Schaft van het Hamburgse onderzoeksinstituut HWWA wijst erop dat de eenwording gevolgen zal hebben voor de produktie in het westelijk deel van Duitsland. 'De produktiecapaciteit was in de Bondsrepubliek in veel sectoren zoals de bouw al volledig bezet. Als we straks in het oosten wegen repareren, zullen waarschijnlijk in het westen herstelwerkzaamheden worden uitgesteld.'

Om aan de interne vraag te voldoen moet Duitsland goederen importeren. Een land als Nederland dat vorig jaar voor ruim vijftig miljard mark naar de Bondsrepubliek exporteerde, profiteert daarvan mee. De Amro Bank rekent op een extra economische groei van een half procent. De stijgende rente als gevolg van het Duitse beroep op de kapitaalmarkt tempert daarentegen de groei. En zo blijft de rekening van de Duitse eenwording ook voor Duitslands handelspartners vol onzekerheden.

vervolg op pagina 4

vervolg van pagina 1

    • Tom Buijtendorp