Britse wandelaars maken vuist

Wandelen - wat haatte ik dat. Bijna evenveel als sla en groente en verplicht wollen ondergoed in de winter. Wollen onderbroeken gingen vanzelf uit de mode, sla leerde ik uit nood (de lijn) lekker vinden, maar wandelen werd pas een attractie toen ik in Engeland met vakantie was. Het uur van bekering viel vijftien jaar geleden, op het terras van de Hunter's Inn, een geisoleerd gelegen jachthuis in het Exmoor National Park. Rond het lunchuur arriveerden van alle kanten groepjes wandelaars naar het terras: jonge echtparen met baby's in een zak op de rug, net zo goed als oudere mensen die ook al aan een pint en een boterham toe waren. Kaarten kwamen op tafel. De ene tafel prees de andere de route naar Heddon's Mouth aan. Een stel wandelaars bleek al dagen telkens langs een kustpad hoog over de klippen te lopen en had verhalen over op de hei in de zon liggen en 's avonds aankomen bij een gastvrije herberg. Twee weken later, in het Lake District, kochten we wandelschoenen en schapewollen sokken en gaven ons over aan de routebeschrijving van de VVV in Hawkshead. Niets bordjes en pijlen, niets andere wandelaars op ons pad. Hier en daar een vaag zichtbaar spoor langs een akker, achter gindse haag een houten opstapje of soms een 'kissing gate' en dan verder, dwars door een weiland, over het erf van een boerderij, met als enige aanwijzing dat na een korenveld in noordelijke richting een alleenstaande eik te zien zou zijn, waarachter de richting naar het doorwaadbare beekje duidelijk zou worden.

Tienduizenden mensen maken in Groot-Brittannie vol overgave in weer en wind gebruik van het recht van doorgang dat passanten sinds mensenheugenis aan het landschap hebben afgedwongen. Dat recht, veelal geillustreerd met het bordje 'public footpath', maakt dat wandelen in dit land niets te maken heeft met het Nederlandse blokje om op zondagmiddag, maar alles met een gevoel van vrijheid en ongerept avontuur. Duizenden wandelaars, de meesten behorend tot de Britse Ramblers Association, gingen er zondag op uit om dat 'right of way' te verdedigen en beperking van hun vrijheid aan te vallen. Op 'Forbidden Britain Day' deden wandelaars toch wat ze anders niet mogen: in het Peakdistrict betraden ze land dat hen is ontnomen doordat de staat waterwingebieden aan particulieren verkocht heeft. In Yorkshire zwermden ze als vanouds uit over het heuvelland dat jagers nu voor de korhoenjacht reserveren en in het New Forest liepen ze te hoop tegen de prikkeldraadversperring die Lord Montagu rond het landgoed Beaulieu heeft laten aanleggen.

De oppositie waartegen de Ramblers Association (78.000 leden) zich te weer stelt, is een combinatie van eigenaars van land en landhuizen en nieuwe rijken. Het is vaak de nouveau riche die jachtterreinen of stukken zalmrijke rivier gepacht heeft en die niet wenst dat wandelaars over 'hun' eigendom lopen. De klacht van de Ramblers Association is dat conglomeraten van dit soort mensen in de plaats zijn gekomen van de landheer van vroeger, die wel doorgang verleende. Maar hoge kosten en slechte tijden hebben dat soort huis- en landeigenaar gedreven tot het afstaan van rechten aan mensen die goed betalen, maar aan patronage van wandelaars geen boodschap hebben.

Niet dat degenen met geld van oudsher hun gebreken niet hebben. Viscount Parker bij voorbeeld weigert 400 are beukenbos in de Chilterns met anderen te delen. Zijn excuus is dat wandelaars de buizerds verstoren, het bos beschadigen en de jachtopzieners voor de voeten lopen wanneer die konijnen willen schieten. Wat betreft de privacy van de landeigenaars zelf, die wordt niet betwist. Maar wanneer er kilometers afstand zitten tussen dat eigendom en een voetpad, zegt de Ramblers Association, is er geen enkel moreel argument meer waarmee een eigenaar zoveel schoonheid exclusief voor zich alleen kan claimen.

Foto Jan Boogaerts/HH