Aandeel sociale zekerheid in het nationaal inkomendaalt

DEN HAAG, 3 okt. Het aandeel van de sociale zekerheidsuitgaven in het nationaal inkomen is in Nederland de afgelopen jaren sneller gedaald dan in andere Europese landen. Dit blijkt uit de 'Nota Sociale Zekerheid' die staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken) vanmorgen aan de Tweede Kamer heeft gestuurd.

De sociale zekerheidsuitgaven stijgen volgend jaar met 5,6 miljard gulden tot 132,3 miljard gulden. De nominale uitgavenstijging zal tussen 1992 en 1995 bijna 5 miljard gulden per jaar bedragen. In 1990 namen de sociale zekerheidsuitgaven met 12,8 miljard gulden toe, maar dat betrof voor 7,3 miljard gulden een statistische wijziging als gevolg van de herziening van het belasting- en premiesysteem.

Ondanks de stijging in absolute bedragen blijven de uitgaven aan socialezekerheid achter bij de groei van het nationaal inkomen. In 1991 zal 27,9 procent van het nationaal inkomen aan sociale zekerheid worden besteed. Dat betekent een daling met 0,2 procent in vergelijking met1990. Staatssecretaris Ter Veld verwacht dat het aandeel van de sociale zekerheid in het nationaal inkomen de komende jaren verder zal dalen met 0,1 tot 0,2 procent per jaar. Volgend jaar moeten bezuinigingen 364 miljoen gulden opbrengen. Dat bedrag loopt in latere jaren op tot structureel 1,4 miljard. Ter Veld sprak vanmorgen bij de presentatie van de nota van een 'beheerste' uitgavenontwikkeling.

Volgens EG-cijfers over de jaren 1984-1988 daalde het aandeel van desociale zekerheid in het nationaal inkomen in Nederland met 2,1 procent. In Belgie, Denemarken, Frankrijk en de voormalige Bondsrepubliek Duitsland varieerde de daling in dezelfde periode van 0,4 tot 1,1 procent.

Nederland behoort wat betreft de sociale zekerheidsuitgaven in de EG totde groep koplopers, waartoe verder Belgie, Duitsland, Denemarken en Frankrijk kunnen worden gerekend. Maar volgens Ter Veld staatssecretarisis Nederland niet 'de' koploper. Zij wees erop dat in Duitsland netto-uitkeringen worden verstrekt, terwijl Nederland bruto bedragen uitkeert. Volgens haar is het heel goed mogelijk dat de Nederlandse uitgaven per saldo lager uitkomen dan die in Duitsland. Zij had nietde beschikking over exacte cijfers.

Het aantal uitkeringsgerechtigden (gemeten in uitkeringsjaren) nam in de periode 1975-1985 toe met gemiddeld 3,7 procent per jaar. Na 1985 trad een vertraging op tot gemiddeld 1,2 procent per jaar. Voor de periode 1991-1995 wordt gerekend met een stijging van 1 procent per jaar. Ruim de helft van de stijging zit in het aantal AOW'ers. Door de verdergaande 'vergrijzing' neemt hun aantal met 1,7 procent per jaar toe. De rest van de stijging komt voor rekening van arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim. 'En dat is een veel verontrustender ontwikkeling', aldus Ter Veld.

Het aantal werkloosheidsuitkeringen zal volgens de nota dalen. Hetzelfde geldt voor het aantal weduwen- en weduwnaarspensioenen op grond van de AWW. Een herziening van de AWW moet in de komende jaren structureel 980 miljoen opleveren.

De verhouding tussen het aantal mensen met een uitkering en het aantal mensen met een inkomen uit werk blijft volgens Ter Veld 'onevenwichtig'. In 1985 was de verhouding een werkende tegenover 0,86uitkeringsgerechtigde. Voor uitkeringsgerechtigden jonger dan 65jaar lag de verhouding op 0,45. De verwachting is dat ondanks de groei van de werkgelegenheid deze verhouding tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden tot 1995 zal blijven bestaan.

Ter Veld onderstreept in de nota dat Europese markt er niet toe mag leiden dat het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel in zijn huidige grondslagen en vorm wordt aangetast. Wel kan volgens de bewindsvrouw worden gestreefd naar een EG-stelsel van minimum-normen.