Veertig jaar Tweede Geldstroom van ZWO en NWO wordt gepastgevierd; Een beurs beheerd door bureaucraten

Echt vrolijk was de voorzitter vrijdag aan het slot van zijn feest niet. Veertig jaar Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek en een minister die haar voortdurend maar liet raden naar wat hij wilde.

Dat minister Ritzen (onderwijs) het af liet weten was voor hem nog tot daar aan toe, maar dat deze zijn vervanger een verhaal liet voorlezen waar hij en zijn organisatie absoluut niet mee uit de voeten konden, deed voor hem de deur dicht. Neen, het kostte de anders altijd wat flegmatieke dr. J. Borgman zichtbaar moeite als gastheer de egards in acht te nemen.

' Gelukkig worden op dit soort bijeenkomsten geen zaken gedaan', luidde wat afgemeten zijn dankwoord in de richting van de minister. 'Zijn' NWO kon zelf heel goed orde op zaken kon stellen en zou ' met stevig overleg' de zaken wel in het juiste spoor krijgen.

NWO vierde dat de Nederlandse organisatie voor zuiver-wetenschappelijk onderzoek (ZWO) veertig jaar geleden formeel werd opgericht. NWO zelf dateert immers pas uit 1988, het jaar waarin de taak van ZWO werd uitgebreid met strategisch en op toepassing gericht onderzoek en onder meer om die reden werd omgevormd tot NWO.

Bij haar oprichting in 1950, waar ruim vier jaar voorbereiding aan voorafging, moest ZWO vooral helpen het zuiver-wetenschappelijk onderzoek in Nederland weer op gang te krijgen (voor het toepassing gericht onderzoek was er immers TNO). Met een bescheiden bedrag zou zo was de bedoeling ZWO buiten de universiteiten om kwalitaief goed onderzoek van de grond proberen te tillen. Zij beschikte in 1950 over een budget van een miljoen gulden. Dat zou volgens de plannen moeten oplopen tot vijf miljoen in 1955 waarna het geleidelijk aan weer moest worden verlaagd. ZWO zou immers maar een jaar of tien hoeven te bestaan. Dan zouden de universiteiten en onderzoekinstituten niet alleen hun infra-structuur op orde hebben maar bovendien ook zelf goed in staat zijn vooral het kwalitatief goede onderzoek te stimuleren.

ZWO begon met twee zogeheten geldstroom-organisaties binnen haar muren. Dat waren de in 1946 opgerichte Stichting 'Het Mathematisch Centrum', bedoeld voor het stimuleren van de wiskunde, en de Stichting voor fundamenteel onderzoek der materie (FOM) die werkzaam was op het terrein van de natuurkunde. Deze start heeft jarenlang het gezicht van ZWO bepaald: een organisatie die vooral bedoeld leek voor het onderzoek in de exacte vakken. Een beeld dat nog werd versterkt doordat de eerste 'eigen' ZWO-stichtingen ook werkzaam waren op het terrein van de natuurwetenschappen. Terwijl toch nadrukkelijk bij de oprichting van ZWO was bepaald dat zij veel aandacht aan de geesteswetenschappen zou moeten besteden.

Andere tijden?

Vanaf het begin hebben de natuurwetenschappen bij ZWO gedomineerd. Enkele decennia was negentig procent van het budget bestemd voor de exacte disciplines. Dit overwicht werd 'gecompenseerd' door een onderzoeker uit de geesteswetenschappen tot voorzitter van de bestuursraad te kiezen.

Sinds 1988 kent NWO een astronoom (Borgman) als voorzitter van het bestuur. Zijn er dan ook andere tijden aangebroken? Allereerst wat hetzelfde is gebleven: ZWO was en NWO is een organisatie voor en door onderzoekers. De gevestigden onder hen trekken aan de touwtjes, het jongere talent leeft van het geld dat wordt verdeeld. Wat ook is niet is veranderd is het grote verschil tussen het aantal aanvragen om subsidie voor onderzoekprojecten en het aantal verstrekte subsidies. Zo'n veertig procent van de aanvragen wordt gehonoreerd, die norm wil NWO blijven aanhouden verklaarde vorig jaar de onlangs afgetreden directeur van NWO dr. H. J. van der Molen. Dat levert volgens hem de garantie dat NWO alleen kwalitatief goed onderzoek financiert.

Voor het overige betekende de omzetting van ZWO in NWO een breuk in de ontwikkelingsgang. NWO bemoeit zich niet alleen meer met zuiver-wetenschappelijk onderzoek. Strategisch onderzoek en op toepassing gericht onderzoek worden nu ook door haar bestreken. Zij kreeg bovendien tot taak nieuwe wetenschapsgebieden te ontsluiten en in het voetspoor van het wetenschapsbeleid van de overheid aandachtsgebieden in het onderzoek vorm te geven. Op die manier zou NWO toch een deel van de taken krijgen die in de jaren zeventig aan een tot een adviesraad gereduceerd ZWO werden toegedacht. Want toen ZWO in de jaren vijftig wat geruisloos een veel langer leven kreeg toebedeeld dan de eerder bedachte tien jaar geleidelijk was duidelijk dat op nationaal niveau steun en selectie van het kwalitatief betere onderzoek wenselijk bleef bleek dat voortbestaan in de jaren zeventig heel wat minder zeker. De discussie in parlement en aan universiteiten vertoefde toen aan de andere kant van de slingerbeweging: het universitaire onderzoek zou ernstig in het gedrang zijn gekomen door de bovenmatige aandacht die het onderwijs vergde. Het onderzoeklandschap zou moeten worden geherstructureerd en als het ware worden afgeschermd van het onderwijs. Voor ZWO restte daarin een adviestaak: zij zou de universiteiten onder meer moeten helpen het goed onderzoek te onderscheiden van dat van mindere kwaliteit.

Afscheidsfeest

Het zilveren jubileum werd indertijd ook een beetje als een afscheidsfeest gevierd. Maar het bleek uiteindelijk het begin van een koerswending. Voor de alfa- en gammawetenschappen kwam er net zoals voor de medische wetenschappen meer geld. ZWO won als tweede geldstroomorganisatie aan kracht. Toch duurde dat tweede leven maar 13 jaar. Niet in het minst omdat de organisatiestructuur al lang niet adequaat meer was, sterk versteend, weinig slagvaardig en bovenals zeer bureaucratisch.

Met de komst van NWO is de organisatie veranderd, de belangenbehartiging van de eigen discipline via de adviesraad beeindigd en de slagvaardigheid sterk toegenomen al wordt dit laatste natuurlijk in sterke mate bepaald door de bemanning van bestuur en directie. Maar daarmee zijn de klachten van veel universitaire onderzoekers niet verdwenen. Nog steeds zijn er klachten -zij het minder- over de bureaucratische afhandeling van subsidie-aanvragen, nog steeds ook wordt er geklaagd over de neiging de disciplinegrenzen strak te handhaven waardoor veel nieuw en veelbelovend want multidisciplinair onderzoek weinig of geen kans maakt op steun.

Vorig jaar behandelde NWO zo'n 2.500 subsidie-aanvragen. De Leidse socioloog drs. H. Tromp berekende onlangs dat elke aanvraag al zo'n 18.000 gulden heeft gekost aan papier en tijd van universitaire medewerkers als deze op de burelen van NWO belandt. Dit niet door NWO bestreden bedrag betekent dat hier jaarlijks 45 miljoen gulden aan voornamelijk verborgen kosten (want veelal in de vorm van tijd van universitaire medewerkers) mee gemoeid is: ruim tien procent van het budget van NWO (in 1990 377 miljoen).

Dat lijkt redelijk, maar in werkelijkheid is het als Tromp gelijk heeft een bedrag dat niet in verhouding staat tot het door NWO te verdelen bedrag. Van haar budget ligt immers een derde vast: geld dat nodig is voor de exploitatie van de instituten van NWO. Daarnaast heeft NWO te maken met een historisch bepaalde verdeling van de gelden over de verschillende stichtingen (met name FOM). Zelfs al zou elk onderzoeksproject maar vier jaar lopen wat maar voor een deel het geval is, want vaak geldt de subsidie voor langere duur dan nog zou er in het beste geval jaarlijks maar 40 miljoen gulden subsidie voor nieuw onderzoek resteren. De praktijk is dat er elk jaar maar tussen de vijf en tien miljoen gulden daarvoor beschikbaar is.

De meeste last van deze betrekkelijk geringe flexibiliteit hebben de alfa- en gammawetenschappen: twaalf procent van haar budget besteedt NWO aan deze wetenschapsgebieden. Geleidelijk aan komt er wel meer geld voor beschikbaar. Voor een deel gebeurt dat door de groei van de uitgaven voor de exacte vakken (vooral voor het natuurkunde-onderzoek) te temperen hetgeen vorig jaar bijna een burgeroorlog binnen NWO veroorzaakte.

Belangrijk gemis

Toch verwacht minister Ritzen dat NWO bijdraagt aan de herverdeling van het geld over de verschillende wetenschapsgebieden. Als nationale organisatie kan NWO dit immers veel beter dan de afzonderlijke universiteiten. Borgman voelde het daarom niet als steun in de rug toen Ritzen vrijdag liet opmerken dat de exacte wetenschappen vooral natuurkunde-onderzoek meer aandacht moesten krijgen. Zoals Borgman wel gelukkig was met de aansporing van de minister om het multidisciplinaire onderzoek te stimuleren maar het toch als een belangrijk gemis beschouwde dat de minister nog steeds niets zei over de financiering van het door NWO opgezette Stimulus-programma (bedoeld voor multidisciplinair onderzoek waaraan in 1995 veertig miljoen moet worden besteed). Maar de reactie van de minister op het meerjarenprogramma van NWO, waar Stimulus deel van uitmaakt, zou er al in april geweest zijn.

Onderzoekscholen

In de nabije toekomst zal NWO vooral in het nieuws komen was als er wordt gesproken over de onderzoekscholen. Daarin krijgt zij een belangrijke taak van de commissie-Rinnooy Kan die daarover morgen advies uitbrengt. De commissie verwacht komend jaar vijf miljoen gulden nodig te hebben voor twee of drie universitaire onderzoekscholen, een aantal dat de daarop volgende vier jaar met telkens twee of drie wordt uitgebreid zodat er uiteindelijk tien tot 15 zijn die dan daarvoor jaarlijks worden gehonoreerd met in totaal zo'n 25 miljoen gulden. NWO moet dat geld gaan beheren maar een onafhankelijke commissie zal aangeven welke onderzoekscholen gedurende vijf jaar voor deze beloning voor gebleken kwaliteit in aanmerking komen.

NWO krijgt komend jaar 25 miljoen gulden extra van de minister zo heeft hij toegezegd. Daarvan is de helft bestemd voor de onderzoekscholen. Het is geld dat hij weghaalt bij de universiteiten. Zijn eerdere idee NWO de eerstkomende vijf jaar jaarlijks 25 miljoen gulden extra te geven heeft Ritzen inmiddels al weer afgezworen. Toch had het voor de hand geleden als hij daaraan had vastgehouden. En dat niet alleen omdat in Nederland de tweede geldstroom in verhouding tot het geld dat de universiteiten rechtstreeks voor hun onderzoek krijgen erg klein is, namelijk zo'n tien procent. In het buitenland loopt dat percantage uiteen van twintig in de Bondsrepubliek tot zestig in de Verenigde Staten. Maar als het de minister ernst is met opmerkingen over de omvang van het onderzoek in de verschillende wetenschapsgebieden en hij bovendien het multidisciplinaire onderzoek wil stimuleren zou hij zich misschien toch nog eens moeten bedenken.