Schepen in doodsnood

Volgens de Wet van Archimedes ondervindt een lichaam, wanneer het in een vloeistof wordt ondergedompeld, een opwaartse kracht die gelijk is aan het gewicht van de verplaatste vloeistof. Zolang een schip minder weegt dan de hoeveelheid water die door de scheepsromp wordt verplaatst, drijft het. Boor een gat in de romp, bij voorbeeld met een ijsberg, en de opwaartse kracht neemt af met het terugstromen van het verplaatste water. Zodra deze kleiner is dan het gewicht, zal het schip zinken.

Toch is het vergaan van een schip meer dan alleen vloeistofdynamica; het nog even hoog oprijzen van de boeg, de kapseizende romp die zijn vissebuik toont, een pluim ontsnappende stoom wie houdt daar droge ogen bij? In de film Das Boot, over de wederwaardigheden van een Duitse onderzeeboot in de Tweede Wereldoorlog, is het geluid te horen dat een zinkend schip onder water voortbrengt: een luguber kermen. 'Hoor', zegt een van de bemanningsleden, 'de tussenschotten breken'. Ze zouden vrolijk moeten zijn, de zeelui, bij het naar de kelder gaan van weer een paar duizend vijandelijke brutoregisterton, maar van hun gezichten is af te lezen dat ze zojuist iets onvergeeflijks hebben aangericht.

Zo'n ijzeren klomp kan eenvoudig niet op water drijven, zegt ons gezonde verstand. Elk schip is daarom allereerst een wonder, dat men intact moet laten. Zodra het zinkt, vervalt het tot een banaal voorwerp: schepen sterven.

De tentoonstelling Rampen op Zee, die nu te zien is in het Maritiem Museum te Rotterdam, geeft weinig ruimte aan deze, laat ik zeggen, mystieke dimensie van de schipbreuk. Het is een nuchtere expositie die vooral gaat over degenen die hun werk beginnen, zodra de ramp zich heeft voltrokken: redders en bergers.

Zo zijn er schaalmodellen van reddingsboten, van de houten sloep die met paarden door de branding in zee gebracht moest worden, tot de reddingscapsule waarmee de bemanningsleden van een booreiland in zee worden gekatapulteerd, dat wil zeggen, als ze meer tijd hebben dan op de Piper Alpha. Er is een zogeheten wippertoestel, dat vanaf de wal een lijn aan boord schiet van het gestrande schip, waarna men het per 'broek' kan verlaten. Er zijn survival-pakken, zwemvesten en vlotten.

Van de 410 miljoen ton die de wereldvloot omvat, vervoert tweederde een potentieel gevaarlijke lading als LPG, ruwe olie of chemicalien. H. Walenkamp de buitengewoon nuchtere directeur van Smit Internationale en sinds de ramp met de Anna Broere in 1988 een bekende Nederlander sprak voorafgaand aan de opening van Rampen op Zee dan ook zijn instemming uit met de nieuwe voorwaarden waaronder 'de noodlijdende bergingsindustrie' kan opereren. Was het vroeger altijd no cure no pay, zoals het internationale bergingscontract 'Lloyd's Open Form' in de volksmond heet, sinds kort kan de berger aanspraak maken op vergoeding van kosten die gemaakt zijn om het milieu voor schade te behoeden, ook wanneer de berging op zichzelf geen succes is. Zijn branche is op de tentoonstelling zeer ruim vertegenwoordigd, onder meer met duikerklokken, gaspakken en werktekeningen voor het rechttakelen van de gekapseisde veerboot Herald of Free Enterprise.

Bij het vergaan van schepen zijn meestal weinig getuigen aanwezig, die elkaar later bovendien vaak blijken tegen te spreken een scheepsramp is daarom een geheimzinnige gebeurtenis. Twee documenten op de tentoonstelling mogen dan ook bijzonder heten. In de eerste plaats is dat de vanuit een Marine-helikopter gefilmde stranding van de Duitse kustvaarder Anneliese, begin 1990. In een ononderbroken shot van een kwartier ziet men het scheepje langzaam afdrijven door de Texelse branding, terwijl het langzaam gesloopt wordt door de golven.

Het tweede unieke document is een selectie uit de vermaarde, in Greenwich bewaarde foto's uit de Gibsons-collectie. Ze werden gemaakt aan de kust van Cornwall, vanaf 1860 tot 1920, een periode waarin de klippen tussen Land's End en The Lizard een grote aantrekkingskracht hebben uitgeoefend op de eerste stoom- en de laatste zeilschepen. De fotografen-dynastie Gibson fotografeerde twee soorten wrakken: de hopeloze, schepen gereduceerd tot een bos kachelhout, en de schepen waarin nog leven lijkt te schuilen, maar zwaargewond. Schepen in doodsnood.

Hierbij zijn er twee afgebeeld: het ongeladen stoomschip Blue Jacket, dat op 9 december 1898 tijdens een heldere nacht tegen de vuurtoren van Longship voer, 'als een mot tegen de lamp' schreef de onderzoekscommissie over dit nog steeds niet opgehelderde raadsel. De driemaster Mildred strandde op 6 april 1912 bij dikke mist op Gurnard's Head, waarbij de romp over de volle lengte werd opengereten.

Deze schepen zijn geen modderige wrakken op de zeebodem. Er is alleen een reuzenhand nodig om ze uit het badwater te tillen en ze leeg te gieten. Daarna kunnen ze hun reis vervolgen, met katoen van Alexandrie naar Hull.