Rechter veroordeelt dertig Urker vissers tot ruim vier tonboete

ZWOLLE, 2 okt. De economische politierechter in Zwolle heeft dertig Urker vissers boetes opgelegd van in totaal 418.200 gulden. De straffen wegens vangstoverschrijdingen varieerden in hoogte van 2.500 gulden tot 42.600 gulden. De eisen in de verschillende zaken waren gemiddeld driemaal hoger dan het vonnis.

De boetes hebben betrekking op vangstovertredingen tussen 26 november 1988 en het eind van dat jaar. Op die datum was het quotum aan schol opgevist. Vissers die daarna toch schol aan land brachten, ontdoken daarmee de vangstbeperkende maatregelen.

Officier van justitie, mevrouw I. H. B. van Zevenbergen-Joele, eiste in alle gevallen een boete van honderd procent over de bruto-besomming waarover proces-verbaal was opgemaakt. Daarmee werd de winst volledig afgeroomd. Voor de omrekening tot een geldbedrag baseerde zij zich op de gemiddelde prijzen zoals die door de Algemene Inspectie Dienst (AID) van het ministerie van landbouw en visserij waren vastgesteld. De officier van justitie ging uit van de 'afschrikwekkende' werking die de straffen zouden moeten hebben.

Politierechter mr. J. A. van Aerde deelde het standpunt van het OM over afschrikking niet. Hij stelde de overheid verantwoordelijk voor het gebrekkige controlebeleid in de visserij. Uitsluitend de strafrechtpleging zou voortdurend worden gebruikt om de vissers op het juiste spoor te krijgen. Naar andere wegen wordt volgens Van Aerde nauwelijks gezocht.

Afslagprijzen

Stelselmatig bracht politierechter Van Aerde de boete die de officier eiste terug tot een derde van dat bedrag. Bovendien werd de politierechter ovvertuigd door het argument van de advocaat van de vissers, mr. W. F. van Zant, dat de AID te hoge afslagprijzen had gehanteerd. Zo was bijvoorbeeld de eis van de officier tegen de eigenaar van de UK 34 een boete van 34.200 gulden. De berekening van de advocaat kwam uit op 23.569 gulden en de rechter vonniste op 8.000 gulden. Vier zaken werden aangehouden, eenmaal was er sprake van een voorwaardelijke straf van 4.200 gulden en eenmaal luidde het vonnis 'schuld zonder straf' omdat het schip inmiddels is gesaneerd.

In totaal ging het gisteren om ruim 500 ton schol die na het sluiten van de vangst eind 1988 aan land was gebracht. Eind deze maand komen voor hetzelfde vergrijp nog eens 21 Urker vissers voor de rechter en dat brengt de overschrijding op 900 ton. Het is niet meer dan een schijntje van de 6.000 ton vis (met een waarde van ten minste 40 miljoen gulden) die volgens de voormalige hoofdinspecteur van de AID, A. Besuijen, nooit in de registratie was opgenomen. Diens beweringen in juni van dit jaar leidden tot een onderzoek van de rijksrecherche, hoorzittingen en debatten in de Tweede Kamer en uiteindelijk tot de val van minister Braks.

Officier Van Zevenbergen stelde gisteren dat van de overschrijdingen in 1988 slechts 'een fractie naar boven is gehaald'. In haar requisitoir richtte zij zich soms tegen de gehele gemeente Urk. 'Collectief zette men zich in', luidde haar verwijt. 'De mentaliteit op Urk is tot onder nul gedaald.' Zo heeft de Producenten Organisatie Oost (POO) in Urk gepoogd 'weegbrieven' van de visafslag in handen te krijgen en te verbranden. Dit om te voorkomen dat de AID via die gegevens vangstoverschrijdingen zou kunnen vaststellen. Eind november zal ondermeer dit gedrag in hoger beroep worden beoordeeld als gemeentebestuurders van Urk en representanten uit de branche terechtstaan. Gisteren refereerde mevrouw Van Zevenbergen slechts aan deze zaak omdat dit gedrag erop zou wijzen dat de POO wist dat het scholquotum 'vol' was.

Die redenering stond haaks op de bewering van de betrokken vissers die een zogenaamd groepscontingent hadden. De vissers zeiden niet te hebben geweten dat er geen schol meer mocht worden gevangen. Politierechter mr. J. A. van Aerde vond dat zij dit via de POO hadden moeten weten: 'En als die organisatie niet stevig genoeg is, had u geen lid moeten worden.'