Ondanks groei van moslim-fundamentalisme in Arabische wereld; Jihad versterkt Saddams leger niet

Angst en geweld behoren tot de elementaire menselijke ervaringen. Daarom is een verband tussen godsdienst en oorlog van alle tijden en alle plaatsen. Het was in de meest uiteenlopende culturen hoogst normaal dat oorlogen werden begonnen en beeindigd met offers, dat er speciale oorlogsgoden waren zoals de Griekse Ares of de Romeinse Mars, dat overwonnen goden werden vernederd of geincorporeerd in de eigen samenleving en dat na de overwinning een deel van de buit aan de eigen goden werd gewijd. Deze religieuze handelingen en legitimaties maakten echter nog niet van elke oorlog ook meteen een 'heilige' oorlog. Daarvoor moeten of de middelen (door totale uitroeiing) of de doelen (bij voorbeeld bekering of verkrijging van het eeuwige leven) van een oorlog buitengewoon zijn. Dat nu is vooral het geval bij bepaalde oorlogen van drie godsdiensten, die elkaar vaak hebben bestreden maar toch ook met elkaar verwant zijn, namelijk het christendom, het jodendom en de islam.

Hoewel de eerste christenen zich om religieuze redenen tegen het militaire bedrijf hebben verzet toentertijd een uniek verschijnsel in de wereldgeschiedenis werd dit pacifisme toch snel tot een marginaal verschijnsel zodra de christenen met Constantijn de Grote de macht in het Romeinse Rijk overnamen. Nu zijn de kerken nog steeds volledig geintegreerd in het militaire bedrijf, getuige de aanwezigheid van legerdominees en aalmoezeniers. Dat wil niet zeggen dat op dit moment alle kerken ook nog steeds legitimerend optreden bij oorlogen. Integendeel soms.

Nadat in het begin van de jaren tachtig de Engelsen de Falklandoorlog tegen Argentinie hadden gewonnen werd in Westminster Cathedral een dankdienst gehouden. De aartsbisschop van Canterbury kreeg echter na afloop van de dienst van Thatcher en haar conservatieve volgelingen op zijn kop omdat hij had gewaarschuwd tegen een al te groot triomfalisme: het is duidelijk dat niet iedereen door twee wereldoorlogen iets wijzer is geworden. Maar nog in 1914 riepen de Duitse predikanten en pastoors vol enthousiasme hun gelovigen op tot de strijd tegen de atheistische (!) vijanden.

Kruistochten

Voor een echte 'heilige oorlog' binnen het christendom moeten we echter verder teruggaan in de geschiedenis. Bij menig lezer zal het begrip misschien nog vage herinneringen aan de kruistochten oproepen. Terecht. Tenslotte was het in Clermont in 1095 dat tijdens de toespraak van paus Urbanus II voor het eerst de kreet weerklonk deus le volt, 'God wil het'. Ook al werd het enthousiasme voor de kruistochten mede gevoed door niet-religieuze motieven zoals de landhonger van de Westeuropese adel, toch stond in de ideologie van de kruistochten de vergeving van zonden en de toegang tot het eeuwige leven centraal: Wie in de slag tegen de 'dienaren van Satan' sneuvelde werd meteen in de hemel toegelaten. Het is deze combinatie van martelaarschap en toewijding aan God in een 'heilige oorlog', die we ook bij het oude jodendom en de islam terugvinden.

Een typisch voorbeeld van een 'heilige oorlog' met onheilige middelen vinden we in de traditie van de verovering van het land Israel in het Oude Testament. Volgens het boek Deuteronomium moesten op gebod van Jahwe de Israelieten na de inneming van vijandige steden de hele bevolking met wortel en tak uitroeien. Wij kunnen zulke praktijken nauwelijks geloven, maar er zijn genoeg parallellen bij Israels buurvolken te vinden om aan de echtheid van dit gebod (en de uitvoering ervan!) niet te twijfelen. Een belangrijk verschil echter met volkeren als de Assyriers, de onbetwiste meesters op het gebied van uitroeiing in de oudheid, was dat bij Israel deze eliminatie van de tegenstander ook te maken had met een religieus gefundeerde 'apartheid' van het volk Israel te midden van zijn buren.

Dit ijveren voor het zuiver houden van het Israelitische volk leidde tot sterke staaltjes van persoonlijk initiatief. Het bijbelboek Numeri vertelt het volgende over de afloop van de verhouding van een belangrijke Israeliet met een niet-joodse vrouw. Toen de kleinzoon van de hogepriester, een zekere Pinehas, dat zag 'stond hij midden uit de vergadering op en nam een speer in zijn hand; toen hij de Israelitische man tot in het vertrek achterhaald had, doorstak hij hen beiden, zowel de Israelitische man, als de vrouw, in het onderlijf'. Deze moorddadige geloofsijver werd in de tijd van Jezus sterk bewonderd, zozeer zelfs dat een van de partijen uit de tijd van de joodse opstand aan die ijver zijn naam ontleende: de Zeloten. Tegelijkertijd werd deze geloofsijver nu niet meer uitsluitend gericht tegen de Romeinen, de niet-joodse tegenstanders bij uitstek, maar tegen alle 'goddelozen', inclusief afvallige landgenoten. En net als bij de kruistochten zien we ook in deze tijd de opkomst van de idee dat het sterven voor deze goede zaak uitzicht biedt op het eeuwige leven.

Moslims

Hoe staat het nu met de 'heilige oorlog' bij de moslims? De term jihad betekent letterlijk 'zich inspannen' of 'zich afbeulen', namelijk op de weg van God. Maar al in de Koran komt het woord ook met de betekenis van 'oorlog' voor. Anders dan bij Israel riep Mohammed echter zijn volgelingen niet op tot een uitroeiingsoorlog tegen alle 'heidenen'. Volgens de bekende islamoloog Montgomery Wyatt ging het hem er vooral om zijn volgelingen bij elkaar en solidair te houden. Omdat deze nomaden echter gewend waren geweest door middel van raids op elkaars bezittingen buit te behalen, richtte Mohammed hun inspanningen op de volkeren die nog niet waren bekeerd tot de islam.

Daarbij ging het echter vooral om de buit, omdat niet-moslims een hogere belasting moesten betalen dan bekeerlingen. Deze tactiek was ongemeen succesvol en bracht de voormalige woestijnbewoners in zeer korte tijd tot aan het hart van Frankrijk, waar ze pas door Karel Martel bij Poitiers (in 732) werden gestopt. Omdat deze oorlogen tot gevolg hadden dat de veroverde bevolking zich aansloot bij de islam, vinden sommige moderne islamitische theologen dat we deze oorlogen wel 'Allah's oorlog' kunnen noemen maar niet een 'heilige oorlog'. De oorlogen waren immers naar doel of middel niets bijzonders.

In deze vroegste tijd van de islam was de jihad dus een collectieve gebeurtenis en uitsluitend gericht op de buitenstaanders. In de loop der geschiedenis veranderde deze doelstelling en in de moderne tijd wordt de idee van de jihad ook toegepast op mede-islamieten, dezelfde ontwikkeling dus die we ook bij de joden konden bespeuren. Toen de sjah van Perzie in 1960 Israel de facto erkende riep onmiddellijk een aantal geestelijken, de ulama, op tot een 'heilige oorlog' tegen hem. Deze oproep bleef zonder gevolgen, maar dezelfde mentaliteit had verstrekkender gevolgen in Egypte. Hier waren vooral na de verloren oorlog van 1967 tegen Israel verscheidene groepen ontstaan, die de islam probeerden te bevorderen. Een van de meest recente van deze bewegingen, de Tanzim al-Jihad (de jihad-organisatie), telde ook diverse soldaten onder zijn leden, van wie een, Khalid al-Islambuli, meedeed aan de gelukte moordaanslag op president Sadat in 1981. Het belangrijkste voorbeeld is echter de oorlog tussen Irak en Iran in het afgelopen decennium, waarbij Khomeiny ook opriep tot een heilige oorlog tegen Irak en zijn president. Saddam Hussein weet dus uit eigen ervaring wat een 'heilige oorlog' betekent!

Gevaar

Tegelijkertijd is er echter een belangrijk verschil tussen de islamitische beleving in Irak en Iran, dat van groot belang is voor de beoordeling van onze tweede vraag: Hoe gevaarlijk zijn Saddam Husseins oproepen? De Iraanse moslims zijn namelijk sji'ieten en de Irakese sunnieten. Het is hier niet de plaats voor een analyse van de verschillen tussen deze twee belangrijkste richtingen binnen de islam. Opmerkelijk is alleen dat bij de sji'a weer dezelfde combinatie van martelaarschap en toewijding aan God (Allah) is te vinden als bij de joden en de christenen tijdens de kruistochten. Tijdens de Golfoorlog wierven de Perzische geestelijken in hun hele land met posters voor de 'heilige oorlog', waarop de belofte van het paradijs voorkwam. Het is ook nauwelijks voorstelbaar dat zonder deze ideologische toerusting de vaak zeer jonge Iraanse soldaten het zo lang hadden uitgehouden tegen de militaire overmacht van hun vooral door Frankrijk en Rusland uitgeruste tegenstander.

De toestand in Irak is echter geheel anders. Niet alleen zijn de Irakezen sunnieten, maar ook is de macht niet in handen van geestelijken, zoals in Iran. Irak wordt gedomineerd door de pan-Arabische, seculiere Ba'ath-partij, die zelfs door een christen is gesticht en geruime tijd geleid. Toen Saddam twintig was, werd hij al lid van deze partij en via de partij kwam hij met een coup in 1968 aan de macht. Er is dus geen sprake van dat Saddam zelf of zijn regerende kliek dezelfde emotionele krachten kan mobiliseren als Khomeiny vermocht op het hoogtepunt van de Golfoorlog. Wat dat betreft hoeven we niet echt bang te zijn voor Saddams oproepen. Iets anders is dat Saddam zijn regime heeft gevestigd met talloze executies, waardoor hij nu zeer stevig in het zadel zit. Toen hij in 1986 een totale mobilisatie beval, was er van tegenstand geen sprake en ook op dit moment lijkt geen verstandige Irakees van plan zijn president te trotseren.

Gevechtskracht

Op dit moment lijken Saddams oproepen tot een jihad dus niets toe te voegen aan de gevechtskracht van het Iraakse leger. Dat wil niet zeggen dat in de toekomst zijn oproepen geen weerklank kunnen vinden. In de uiterst wisselvallige Arabische wereld is van alles mogelijk. Zeker is dat het fundamentalisme voortdurend nieuwe aanhangers krijgt. Wie zoals ondergetekende dit jaar vakantie heeft gehouden in Turkije zal getroffen zijn door het grote aantal nieuwe moskeeen dat wordt gebouwd. Deze ontwikkeling is symptomatisch voor de islamitische wereld als geheel. Wat er ook moge gebeuren met Irak, we hebben vast niet voor de laatste keer gehoord van de oproepen tot een jihad.