Media bejegenen Finkensieper niet kritisch genoeg; Slachtoffers worden niet gehoord

In Nederland wordt vrijheid van meningsuiting als een groot goed beschouwd, maar die vrijheid kan ook te ver worden doorgedreven.

Uiteraard mogen de media een verdachte van seksuele misdaden aan het woord laten, maar alleen al uit pieteit jegens de slachtoffers en dan heb ik het nog niet eens over journalistieke normen zou de journalist hoor en wederhoor moeten toepassen. Als dat niet past in de gekozen journalistieke vorm, in dit geval een interview, is enig weerwoord en feitenkennis van de verslaggever een minimale voorwaarde. Gebeurt dat niet, dan resteert een voor de slachtoffers kwetsend artikel dat weinig bijdraagt aan de mogelijkheid van de lezer om zich een afgewogen eigen oordeel vormen.

Finkensieper heeft zich ondanks jarenlange geruchten in de Zettense inrichtingen over seksueel misbruik van patienten (zie de getuigenissen van diverse ex-medewerkers voor politie en rechter-commissaris in de strafzaak) door zijn grote verbale begaafdheid en machtspositie als psychiater en later directeur van de inrichting in het zadel kunnen houden. Ook nu ziet hij kans met zijn onmiskenbare verbale intelligentie velen om de tuin te leiden, tot groot verdriet van de slachtoffers.

Ik meen op het interview met de oud-directeur van de Heldring-stichtingen in Zetten te moeten reageren, omdat mijn clientes alle vijf slachtoffer van F. daartoe zelf niet in staat zijn gesteld.

Weerwerk

Finkensieper slaagt erin journalisten zodanige informatie over zichzelf te verschaffen, dat daaruit feitelijk het beeld van de onschuldig veroordeelde naar voren komt. Dat is het goed recht van iedere beschuldigde. Maar de journalist dient in zo'n geval over degelijke voorkennis te beschikken, om de geinterviewde weerwerk te kunnen geven. Kwalijk wordt het als de journalist die een maatschappelijke verantwoordelijkheid draagt om juiste informatie te verschaffen zelf onvoldoende op de hoogte is van de inhoud van de processtukken, van de vele feiten die tegen F. in de strafzaak naar voren zijn gebracht. Dat de interviewer over onvoldoende informatie beschikte blijkt mijns inziens uit de kritiekloze wijze waarop F. is ondervraagd.

Nergens wordt gesproken over: - Zijn veroordeling door het Medisch Tucht College te Eindhoven tot ontzegging uit het ambt van geneeskundige, wegens seksueel contact met een patiente. (Waar een kind uit voort kwam.)

- Het feit dat deze man weigert zich psychiatrisch te laten onderzoeken, ofschoon hij daarmee de kans heeft om aan te tonen dat hij niet de seksmaniak is, die hij blijkens de hem ten laste gelegde feiten en de brieven die hij aan een van zijn patienten schreef, wel moet zijn.

- Het feit dat er behalve de tien aanklachten in de telastelegging waarvan er zes bewezen werden verklaard, nog dertien andere aanklachten tegen F. lagen, die echter door de officier van justitie uit het dossier werden gelicht, aangezien ze strafrechtelijk waren verjaard.

- Het feit dat er tevens eengetuigenverklaring bij de politie lag van een destijds minderjarige zwakbegaafde vrouw, die tijdens een lift door dr. F. verkracht zou zijn (en die hem pas jaren later aan een foto in de krant herkende).

- Het feit dat dr. F. in 1988 de eersteklachtbrief van een ex-pupil van de Heldringstichtingen over door hem gepleegd seksueel misbruik verduisterde, zodat het Bestuur deze klacht nooit onder ogen kreeg.

- Het feit dat de flat van F. zoals de interviewer in het begin van zijn verhaal vertelt sober gemeubileerd is, enkel en alleen omdat hij om aan beslaglegging te ontkomen daaruit alle kostbaarheden weghaalde. Hij deed dit nadat hij had geweigerd de schadevergoeding van 18.000 gulden aan zijn slachtoffers te betalen, waartoe hij door de president van de rechtbank en het Arnhemse gerechtshof was veroordeeld (waarna zij wel waren gedwongen zijn faillissement aan te vragen.)

Gepast antwoord

Op iedere klacht over hem of het nu om getuigenissen van medewerkers van de Heldringstichtingen gaat of om die van ex-pati enten, of het nu vragen over sekstherapie betreft of het naakt zwemmen met patienten heeft Finkensieper een gepast en redelijk klinkend antwoord.

En dat is nu juist het probleem. De journalist laat hem zijn zegje doen. Daarmee begeeft hij zich op glad ijs, hij geeft iemand die wegens zeer ernstige delicten is veroordeeld, vrij spel om in een krant verweer te voeren, terwijl de slachtoffers moeten worden uitgenodigd hun verhaal te doen.

NRC Handelsblad heeft overigens niet alleen F. de ruimte gegeven zich uitvoerig te verdedigen, ook professor Wagenaar kreeg de gelegenheid prijs te schieten. Wagenaar, die op verzoek van F's raadsman als deskundige in de strafzaak optrad, mocht op 31 mei 1990 in deze krant de vloer aanvegen met het strafrechtelijk onderzoek in de zaak F.

Deze professor deed echter niets anders in zijn artikel dan de (in alle Nederlandse strafzaken gebruikelijke) wijze van ondervragen van de politie afkraken. De teneur van zijn artikel was: de door de politie aan de slachtoffers gestelde vragen staan niet in het proces-verbaal, daarom is nooit te controleren of er tendentieuze vragen over seksueel misbruik van F. zijn gesteld.

Eigen initiatief

Wagenaar beschikte, evenmin als de interviewer van F., Frits Abrahams, over de benodigde informatie. Zo noemde hij de wijze van benaderen van de slachtoffers door de politie onzorgvuldig, omdat zij allen waren opgebeld.

Wagenaar was er kennelijk niet van op de hoogte dat lang niet alle slachtoffers door de Nijmeegse zedenpolitie telefonisch zijn benaderd met de vraag of zij een aanklacht tegen F. wilden indienen. Van mijn vijf clientes, was dat slechts bij een het geval. De overige vier hebben zelf het initiatief tot aangifte genomen, nadat zij in februari 1989 in de dagbladen lazen dat er eindelijk stappen tegen F. werden genomen. Wagenaar weet dat niet of hij wil dat niet weten, hij is immers door F.'s raadsman gevraagd als deskundige op te treden.