Jubileum in mineur

Het openingsartikel draagt de titel 'Tien jaar Samenwijs in een periode met veel vallen en weinig opstaan', en dat kenmerkt het blad. In plaats van een feestelijke terugblik op meer dan honderd nummers staat centraal dat tien jaar Samenwijs niet hebben geleid tot een betere positie van de etnische minderheden in Nederland. Van de (weinige) tijdschriften over onderwijs en etnische minderheden is Samenwijs ongetwijfeld het meest begaan met het lot van de vele buitenlandse leerlingen die problemen hebben met het Nederlandse onderwijs. ' De laatste tijd', zo staat in het artikel, ' is in dit verband nogal eens de beschuldigende vinger naar de allochtonen gericht'. ' De mensen die zo redeneren maken zich met een goedkope smoes af van het mislukken van het Nederlandse beleid inzake de multi-etnische samenleving.'

Op de lezer die onbekend is met de wereld van het onderwijs aan buitenlandse leerlingen moet Samenwijs een exotische indruk maken. Na het openingsartikel volgen koppen als 'Actief meertaligheidsbeleid nodig', 'Onderwijs in inter-etnisch en inter-cultureel perspectief' of 'NT2: Nederland op zijn smalst'. Soms worden begrippen uitgelegd, vaak ook niet. Dat Samenwijs een geengageerd blad is, brengt met zich mee dat het een klein publiek van in de materie ingewijden bedient. Het bestaat bij de gratie van onder meer de Europese Commissie, het ministerie van WVC, enkele fondsen en de inzet van veel vrijwilligers.

Een tamelijk eenkennig en hermetisch tijdschrift dus, wat jammer is. Want Samenwijs is behalve dat ook het best ingelichte tijdschrift over onderwijs en etnische minderheden. Ook deze maand weer vertellen onderzoekers (vaak in eigen bijdragen) over vorderingen en tegenvallers bij het onderwijs aan buitenlandse leerlingen. Verder volgen de artikelen van hoofdredacteur Ton Triesscheijn de ontwikkelingen op de voet en bevatten ze vaak wetenswaardigheden die nergens anders vallen te lezen.

Illustratief is een artikel over de islamitische basisscholen in Nederland. Het stuk gaat in op een onderzoek van dr. W. Shadid en dr. P. S. Koningsveld dat ondanks de nationale belangstelling voor het onderwerp geen krant heeft gehaald. Volgens Shadid en Koningsveld vallen de zes islamitische scholen die Nederland nu telt in twee groepen uiteen. De eerste groep bestaat uit de drie door de ISNO (Islamitische stichting Nederland voor onderwijs en opvoeding) in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag gestichte scholen. Op deze scholen is het onderwijs geent op de situatie in Turkije, en daardoor redelijk liberaal. De andere scholen (in Amsterdam, Eindhoven en Rotterdam) zijn gesticht op initiatief van verschillende lokale organisaties. Deze scholen zijn uitgesproken orthodox.

Het verschil uit zich onder meer in de naleving van de middaggebeden. De ISNO-scholen doen hier niet aan, dit in navolging van 'echte' Turkse scholen. De drie andere scholen daarentegen hebben een speciale gebedsruimte en een ruimte voor de rituele wassing ingericht. Op deze scholen is de vrije woensdagmiddag verschoven naar de vrijdag, om de bijzondere betekenis van die dag als dag van de wekelijkse gebedsdienst te benadrukken. De ISNO-scholen hebben er bewust voor gekozen de woensdagmiddag vrij te houden. Anders, zo vrezen zij, verliezen hun leerlingen het contact met de buurtkinderen.

Pikant detail is dat oud-staatssecretaris van onderwjs Ginjaar-Maas vorig jaar heeft laten weten dat voor de oprichting van koepels (waarin respectievelijk zijn verenigd het katholieke, het openbare, het protestants-christelijke en het algemeen bijzondere onderwijs) in de toekomst geen vijftig maar hooguit tien scholen van een bepaalde richting nodig zijn. Dit zou wel eens kunnen betekenen dat er straks twee islamitische koepels komen, een van orthodoxe en een van meer liberale signatuur.

Overigens zijn de auteurs van het artikel, en daaruit blijkt weer het standpunt van Samenwijs, bepaald niet ongerust over de opkomst van de islamitische scholen. Ze wijzen erop dat in protesten van scholen in de buurt van de islamitische scholen ' geen enkel woord werd gezegd over de positieve kanten van het initiatief'. Fijntjes voegen ze daaraan toe dat op deze scholen vaak veel allochtone leerlingen zaten, en dat de verontwaardiging waarschijnlijk was ingegeven door een dreigende daling van het leerlingental.

Wie nieuwsgierig is naar de ontwikkelingen in het onderwijs aan etnische minderheden maar het niet aandurft meteen een abonnement op Samenwijs te nemen, kan op 27 oktober terecht op het congres 'Samen wijs in het onderwijs'. Op die dag is er gelegenheid te discussieren met de auteurs van de verschillende artikelen in het septembernummer. Of dat feestelijk wordt? Volgens Ton Triesscheijn geldt voor het toekomstige onderwijs aan allochtonen nog steeds wat hij al in 1983 schreef: ' Er blijft een dichte mist hangen rond het beleid dat de regering voor de minderheden wil uitzetten.' En dat is een ' reden temeer om bij het tienjarig bestaan in mineurstemming samen te zijn'.