Geneeskunde en Renaissance

Op 26 april 1336 besluit Francesco Petrarca samen met zijn broer de Mont Ventoux te beklimmen. De ongenaakbare berg heeft hem zijn leven lang gefascineerd, bekent Petrarca in een brief aan een bevriende Augustijnse monnik. De tocht is zwaar en vol ontberingen, maar Petrarca ondergaat ze schijnbaar moeiteloos. Bij de top aangekomen, wordt de dichter overvallen door een extatisch gevoel van vreugde. De schoonheid van het landschap overweldigt en verbijstert hem.

Maar het moment van zuiver geluk wordt al snel verstoord door pessimistische gedachten. Dit visuele, zintuiglijke genot bewijst eens te meer hoe zwak zijn pogingen zijn een leven in volstrekte ascese te leven. Hoe deze aardse verlangens te onderdrukken? Angst bekruipt hem en om steun te vinden slaat Petrarca de Confessiones van Augustinus die hij bij zich draagt open. Op een willekeurige bladzijde leest hij: ' De mensen trekken erop uit om zich te vergapen aan hoge bergen, machtige zeeen en wijdse rivieren. Zij ondernemen tochten om de oceaan die de wereld omsluit te aanschouwen of de loop der sterren aan de hemel te bestuderen. Maar wat zij hierbij vergeten is naar zichzelf te kijken.' Gesterkt door Augustinus' aansporing om de menselijke ziel en contemplatie hoger te schatten dan de wonderbaarlijke schoonheid van de natuur, keert Petrarca naar de laaglanden terug.

De beklimming van de Mont Ventoux is door veel historici lange tijd beschouwd als een keerpunt in de geschiedenis. Het esthetisch gezichtspunt van waaruit Petrarca de imposante berg beklom, zou tekenend zijn voor het begin van een 'nieuwe' tijd, waarin kunstenaars en wetenschappers zich van het juk van de scholastiek bevrijdden en nieuwe ontdekkingen deden door onderzoek van oorspronkelijke klassieke teksten, experimenten en nauwkeurige observatie. Burckhardt, de historicus waar iedere Renaissance-onderzoeker schatplichtig aan is, omschreef Petrarca in Die Kultur der Renaissance in Italien als ' de eerste, volledig moderne mens'.

Naast zijn spontaan opwellende bewondering voor de natuur, bezat Petrarca volgens Burckhardt een vermogen tot introspectie en empathie, dat de Middeleeuwer nooit bezeten had. Veel historici volgden Burckhardt in deze 'breukgedachte'. Jammer genoeg zagen zij een interessant detail over het hoofd, namelijk dat Petrarca als het schitterende panorama hem te veel wordt houvast zoekt bij Augustinus' belijdenissen, terwijl Augustinus nota bene verantwoordelijk is voor het dogmatische karakter van de christelijke religie. Dergelijke zaken vallen moeilijk te rijmen met Burckhardts moderniseringsthese.

Deze breukgedachte raakte pas in de jaren zestig, o.a. door onderzoek van leden van de Annales-school en cultuurhistorici als Peter Burke, Frances Yates en Jacques le Goff aan kritiek onderhevig. De Middeleeuwen bleken bij nader inzien niet zo donker en de eeuwen daarna niet zo 'verlicht' als lange tijd verondersteld was. In plaats van abrupte veranderingen ging men spreken van transformaties of graduele verschuivingen in leef- en denkklimaat.

Het wekt daarom verwondering dat op de tentoonstelling 'De geneeskunde in de Zuidelijke Nederlanden (1474-1660)', die tot eind november in Antwerpen te zien is, de gedateerde cesuur tussen Middeleeuwen en 'nieuwe' tijd nog zo duidelijk naar voren komt. De Renaissance is ontegenzeggelijk de periode van ontdekkingen, niet alleen op geografisch gebied maar ook op het gebied van de boekdrukkunst en de geneeskunde (de ontdekking van de bloedsomloop door Harvey en Vesalius' vaststelling van de menselijke anatomie). Maar ook binnen de geneeskunde is er geen sprake geweest van een revolutionaire omwenteling wat sommige medewerkers aan de tentoonstelling ook toegeven maar eerder van een reeks langzame veranderingen, die gepaard ging met felle debatten en een bittere schoolstrijd. Oculte geneeswijzen, astrologische deviezen, alchemie en volksgeloof hadden te lang deel uitgemaakt van het vaste corpus van de medische wetenschap om zich zonder slag of stoot te laten verbannen naar de obscure uithoeken van de pseudo-wetenschap.

45 koperplaten

Op de tentoonstelling zijn naast 111 handschriften, incunabelen en oude zestiende- en zeventiende-eeuwse drukken, 17 prenten te zien. De begeleidende teksten zijn summier. De publicaties liggen chronologisch gerangschikt naar onderwerp. Zo zijn er vitrines met banden over o.a. de pest, de anatomie (met als blikvanger de eerste editie van De humani corporis fabrica libri septem van Andreas Vesalius, gedrukt in 1543 door Johannes Oporinus in Basel), de embryologie, gynaecologie en pediatrie, de farmacie, plantkunde en chirurgie. Het is de eerste maal dat een originele serie van 45 koperplaten wordt vertoond, die de grootste Antwerpse drukker, Christoffel Plantijn gebruikte voor de illustratie van de Vivae imagines corporis humani van Juan Valverde.

Plantijn drukte dit anatomische, van Vesalius geplagieerde werk in 1566. De tentoonstelling omvat voornamelijk banden van Antwerpse drukkers 41 in totaal aangevuld met publicaties van 28 collega's uit andere Zuidnederlandse steden (Leuven, Gent, Ieper, Dowaai) en plaatsen in het buitenland (Basel, Parijs, Venetie en Rostock).

Het persbericht en voorwoord van de lijvige en rijk geillustreerde catalogus belooft veel. Medische historici van alle Belgische universiteiten hebben meegewerkt aan het totstandkomen van expositie en boek. Deze bundeling van expertise heeft jammer genoeg niet geleid tot een goed overdachte publicatie waarin vernieuwende denkbeelden naar voren komen, maar eerder tot een vergaarbak van kwalitatief erg uiteenlopende artikelen en commentaren. Sommige auteurs hebben de historische context in hun beschouwingen betrokken en proberen voor ons soms onbegrijpelijke geneeswijzen inzichtelijk te maken, anderen laten het bij een summiere biografische schets van de medicus in kwestie en staan nauwelijks stil bij inhoud en implicatie van de behandelde theorie.

Ouderwets

Zonder meer ergerlijk is het wanneer auteurs blijk geven minachting te koesteren voor de denkbeelden van 'ouderwetse', (nog) niet tot de empirie en het experiment bekeerde medici. Zo wordt n.a.v. het Liber Aggregationis van Albertus Magnus (een druk uit 1498 van de Antwerpenaar Goovaert Back) medelijdend gesproken over de 'lichtgelovigheid' van deze middeleeuwse geleerde. ' Ondanks Albertus' grote eruditie', schrijft de anonieme auteur, ' blijft zijn Liber Aggregationis doordrongen van het zo kenmerkende middeleeuwse 'wonderbare'. Dit leidt ertoe dat Albertus ' af en toe zijn toevlucht moet nemen tot de magie en de astrologie'. Het zij Albertus vergeven, de onnozele die niet beter weet.

Hinderlijk en ontoelaatbaar in een met wetenschappelijke pretentie omgeven catalogus zijn de regelmatig optredende onnauwkeurigheden. Zo signaleert dr. J. P. Tricot in een inleidend essay. 'De Renaissance van de Geneeskunde' al in de veertiende eeuw 'utilitaristische' protestanten, lang voordat Luther zijn stellingen tegen de kerkdeur in Wittenberg spijkerde. Verder betoogt Tricot dat op het moment dat het humanisme in Italie ontstaat, ' proza, filosofie en theologie plaats maken voor poezie en welsprekendheid'. Een historische noviteit waar menig later filosoof en schrijver zich over zal verbazen.

In de Renaissance stond de geneeskunde niet als aparte wetenschappelijke discipline op zichzelf, maar was nauw vervlochten met de alchemie, de filosofie en de magie. De artsfilosoof bestudeerde niet alleen het in- en uitwendige van de mens, maar ook de manier waarop de mens zich tot de natuur verhield, hoe hij deze kon beinvloeden en eventueel met behulp van magie aan zich kon onderwerpen. Hij praktiseerde in een periode waarin vernieuwing en behoud soms op gespannen voet met elkaar stonden vergelijk de tegenstand die Vesalius ondervond toen hij de eeuwenlang gezaghebbende anatomie van Galenus verwierp en soms ook onlosmakelijk met elkaar verbonden waren zie de combinatie van 'moderne' wetenschappelijke noties als empirisme en proefondervindelijkheid met sterk theologische a priori's bij medici als Paracelsus en Van Helmont. De fraaie oude drukken op de tentoonstelling konden geen passender ruimte krijgen dan het oude museum Plantin. Een betere catalogus hadden ze echter wel verdiend. 'De geneeskunde in de Zuidelijke Nederlanden' is te algemeen en gaat voorbij aan een broodnodige, genuanceerde historische kritiek.