Een afgewende blik naar de eenwording van Duitsland

Met een half oog op morgen loont het om de schuimende polemiek van Multatuli te lezen tegen de lamlendigheid waarmee in Nederland op de Duitse eenwording werd gereageerd. In 1867 wond hij zich in Een en ander over Pruisen en Nederland op over de 'bemoedigende' woorden die oud-minister Bosscha wijdde aan het gevaar van de Pruisische veroveringsdrang voor Nederland. Wanhopig wreef Multatuli zijn landgenoten de risico's onder de neus om hen wakker schudden. Bij wijze van excuus voegde hij toe: 'En de slaapdronkene moge toornig zijn over 't verstoren van zijn rust, misschien verandert die toorn in dankgevoel, wanneer hy later inziet dat er welwillendheid lag in de ruwheid waarmee men hem aanvatte'.

Gezien het verdere verloop mogen we concluderen dat deze waarschuwende woorden niet waren besteed aan het Nederlandse volk en zijn gekozen vertegenwoordigers, door de schrijver zo aardig omschreven als 'pedante vodden'. Liever wendde men de blik af, dan zich al te zeer in te laten met het gerommel in Europa's ingewanden.

Ruim een eeuw later blijkt men nog net zo gesteld op zijn rust, althans van enige verontrusting over wat zich aan onze grens landinwaarts afspeelt is geen sprake. Nee, de eenwording van Duitsland die morgen zijn beslag krijgt, beroert geen enkele snaar. Onze eerste minister was een van de eersten die de Bondskanselier heeft gefeliciteerd zo meldde hij bij wijze van aanhef in een beschouwing over Europa dus waarom zouden we achterblijven?

Toch werd nog tot voor kort door velen beweerd dat een Duitse eenheidsstaat het fragiele Europese bouwsel uit het lood zou slaan. Waar zijn al diegenen die jarenlang kolommen vulden met het angstvisioen van een Duitse 'Alleingang' en een Duits-Russisch verdrag? Waarom wordt er, nu al deze angsten goeddeels bewaarheid worden, plotseling alleen maar vergoelijkend over gesproken? Is het resultaat NAVO-lidmaatschap van het verenigde Duitsland werkelijk belangrijker dan de manier waarop het verkregen is, namelijk een akkoord op eigen houtje met de Sovjet- Unie ?

Terwijl een nieuwe ordening in Europa ontstaat, tellen onze gelouterde bewindslieden en parlementariers de zegeningen van de oude orde. Ondanks alle 'bemoedigende' woorden van deze zijde stelt de eenwording de vooronderstellingen van de buitenlandse politiek van Nederland wel degelijk op de proef.

Onhoudbaar

Ten minste drie gangbare 'axioma's' over de positie van Nederland in Europa zijn onhoudbaar. Allereerst hebben met de herwinning van volledige soevereiniteit alle veronderstellingen over de verankering van Duitsland hun zin verloren. Verankering was ondanks alle beweringen van het tegendeel een discriminatoir beginsel. Het bestond uit een beperkte soevereiniteit die door de geallieerden was opgelegd en uit een onevenredig grote zelfbeperking van de Duitsers in het internationale verkeer. Sinds het eind van de jaren zestig heeft de Bondsrepubliek zich langzaam uit de kluisters van het eigen oorlogsverleden losgemaakt en is zich gaan gedragen als een normale, zelfbewuste natie.

Met de hereniging schudden de Duitsers de resten van hun schaamte af. Wie denkt dat alles ongeveer bij het oude zal blijven heeft het mis. Voor de leiders van het verenigde Duitsland zal de oorlogsschuld steeds minder tot een onevenredige terughoudendheid verplichten. Het verschil is verder dat met elke herenigde oprisping meer gewicht wordt verplaatst. Met de geografie verandert de psychologie. Kortom, Duitsland zal zich binnen afzienbare tijd even onhebbelijk gedragen als de Engelsen, Fransen en Nederlanders nu. En waarom ook niet ?

Maar dat alles is een diplomatiek taboe. Ooit zei een minister van Buitenlandse Zaken dat niet mocht worden getwijfeld aan de Amerikaanse nucleaire garantie, want de Amerikanen zouden eens op een idee kunnen komen. Dezelfde hypocrisie geldt het herenigde Duitsland: het stellen van vragen bij de al te vrome bekenningen tot Europa, laat staan het zoeken naar voorlopige antwoorden, is uit den boze. Achter die afgewende blik gaat een pijnlijke gelatenheid schuil.

De uitkomst is dat we van de Duitsers niet meer mogen vragen dan we zelf bereid zijn te geven. En waarschijnlijk zelfs minder, omdat een kleine natie nu eenmaal wendbaarder is dan een middelgrote.

Continentalisering

In de tweede plaats bezegelt de eenwording de continentalisering van Europa. Reeds lang koestert Nederland zich in de veronderstelling dat het zwaartepunt van de Europese politiek buiten het continent ligt. Eerst Engeland en later de Verenigde Staten vormden het buitengaatse centrum van een verdeeld werelddeel. Daarmee hield Nederland zich de grotere buren Frankrijk en de Bondsrepubliek enigszins van het lijf. Die berekening ging de eerste naoorlogse decennia op.

Maar vanaf het midden van de jaren zeventig begon de machtspolitieke navel van Europa langzaam te schuiven. De Amerikanen hadden vooral elders hun besognes en de Bondsrepubliek gedroeg zich steeds onafhankelijker. Met de herleving van Berlijn als het middelpunt van Duitsland wordt de Europese dynamiek definitief vanuit haar geografische midden gevoed. In zijn artikel over Europa is deze verschuiving van 'het epicentrum van Europa' Lubbers niet ontgaan, maar hij voegt daar onmiddelijk bemoedigend aan toe: 'Laten wij daar echter vooral de positieve kanten van zien'. Blijven we toch even stilstaan bij de negatieve kanten. Nederland heeft een natuurlijk belang bij een evenwichtige driehoeksverhouding van de middelgrote naties. Maar gegeven het Engelse isolationisme moet nu toch voor ieder duidelijk zijn dat de basis van deze driehoek tussen Parijs en Berlijn wordt getrokken. Tenminste als het goed is en de Frans-Duitse rivaliteit niet opbloeit. Wat dat aangaat wijzen de voortekenen in een andere richting. De recente Frans-Duitse top is mislukt, en in algemene zin is de Franse twijfel over Duitsland toegenomen.

Met de vaststelling van Lubbers 'dat Europa beter zal slagen als Parijs voor Europa kiest in plaats van voor alleen een as Parijs-Bonn, hoe nuttig die ook was', worden vele dingen tegelijk gezegd. Maar vooral wordt zo subtiel op de traditionele weerzin van Nederland tegen Frans-Duitse samenwerking gevarieerd. De as Parijs-Bonn 'was' van belang, nu blijkbaar niet meer. En in lijn daarmee stelt Lubbers impliciet Frans-Duitse samenwerking tegenover Europese eenwording, terwijl in de Franse optiek beide in elkaars verlengde liggen. De slotsom is dat Nederland zijn rituele afkeer van de Europese politiek van Frankrijk eens zou moeten herzien en ondubbelzinniger de waarde van Frans-Duits vertrouwen zou moeten inzien.

Europees federalisme

Tenslotte maakt de Duitse eenheid de grenzen van het Europese federalisme van Nederland hardhandig duidelijk. De eenwording luidt de terugkeer van het geo-politieke pessimisme in. Men hoeft geen aanhanger van de Britse teutofoob Ridley te zijn om dat in te zien. De pogingen van Mitterrand om het tempo van de eenwording af te remmen en het oer-sombere gezicht van de Poolse premier Mazowiecki spreken boekdelen. En de geruststellende wetenschap dat alle Europese geharrewar er toch niet zoveel toe doet omdat een gezaghebbende Amerikaanse betrokkenheid gegarandeerd is, hebben we niet meer. Afgezien daarvan zijn het federale ideaal en de bestaande machtsongelijkheid in Europa slechts gedeeltelijk te verzoenen. En niemand zal willen ontkennen dat de ongelijkheid is toegenomen met het ontstaan van een Duitsland. Nederland leeft in de veronderstelling dat een strikt federalisme de machtsverschillen neutraliseert. Met dat federale optimisme werd de onwillige houding gerechtvaardigd ten opzichte van intergouvernementele samenwerking, die veel meer in het teken staat van bescheiden gesteggel tussen nationale regeringen.

Die hooggestemde afzijdigheid kan Nederland zich nu minder dan ooit veroorloven.

De Duitse eenheid heeft voor iedereen zichtbaar gemaakt dat een politiek vergelijk in West-Europa een urgente aangelegenheid is geworden, die zich niet leent voor maximalisme. We ontkomen dan ook niet aan de onaangename vraag naar wat momenteel in Europa het grotere risico is: een sterke opleving van het nationale particularisme of een vorm van politieke samenwerking waarin het machtsverschil voelbaar zal blijven. Of men het wil of niet, maar landen als Frankrijk, Engeland en morgen Duitsland met hun grotere hang naar zelfstandigheid zijn lid van de Gemeenschap. Misschien is de globale keuze afgezien supranationale deeloplossingen slechts die tussen een gereguleerd en een ongeremd nationalisme.

Evenwicht

Zonder zich veel van dat dilemma aan te trekken laten regering en parlement zich verleiden tot het traditionele federalisme. Is elk Frans voorstel om de positie van de Europese Raad (top van regeringsleiders) te versterken werkelijk onbespreekbaar ? Of zijn de Italiaanse ideeen om een wat samenhangender Europees veiligheidsbeleid op te zetten echt strijdig met de Nederlandse belangen ?

De conclusie is dat slechts een relativering van het federalistische ideaal de weg opent naar een politiek en veiligheidspolitiek vergelijk, waarmee het Europese evenwicht enigszins kan worden hersteld.