De directeur werkt in deeltijd

Heeft een rector met een deeltijdbaan het minder zwaar dan zijn collega die veertig (en in de praktijk zestig) uur per week werkt? Of maakt deeltijdwerk de stress alleen maar groter? Wordt een directiefunctie aantrekkelijker voor vrouwen als de leiding met iemand anders kan worden gedeeld? Of zijn ook mannen geinteresseerd in het afstaan van twintig, dertig of misschien zelfs wel vijftig procent van hun werkweek?

Het zijn vragen die schoolbesturen de verantwoordelijken voor de aanstelling van rectoren en directeuren zich niet vaak stellen. Het voortgezet onderwijs telt veel deeltijdwerkers, maar niet in de leiding. Leidinggevende functies lenen zich immers niet voor deeltijdwerk?

In 'Kwaliteit in deeltijd' komt Kees Blase tot de conclusie dat dit oordeel niet op feiten is gebaseerd. ' De groepsweerstanden wegen vaak zwaarder dan de organisatorische en zijn meestal terug te voeren op onbekendheid met het verschijnsel van leidinggevenden in deeltijd.' Het boekje werd vorige week in concept gepresenteerd op een gelijknamig, door het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum in Amsterdam georganiseerd symposium. Nadat de uitkomsten van het symposium erin zijn verwerkt, verschijnt het in januari officieel.

Volgens Blase wordt het de hoogste tijd eens naar de feiten te kijken. Van de betaald werkende vrouwen in Nederland heeft 60 procent een deeltijdbaan. De groei in de werkgelegenheid voor vrouwen zit vooral in deeltijdwerk. Maar anders dan vaak wordt gedacht, stijgt het aantal in deeltijd werkende mannen relatief veel sneller. Tussen 1977 en 1989 daalde het aantal mannen met een voltijdbaan met 60.000 en steeg het aantal mannelijke deeltijders met 130.000. Kennelijk groeit de belangstelling voor een combinatie van werk met hobbies en meehelpen in de huishouding en bij de opvoeding. Maar zoals gezegd: bij schoolleiders valt daarvan weinig te merken. Toch bleek uit een enquete onder 600 rectoren en directeuren naar de meest gewenste omvang van hun baan dat er wel degelijk belangstelling voor deeltijdwerk is. Van de mannelijke ondervraagden zou 22 procent in deeltijd willen werken, van de vrouwelijke 29. Nu is 84 procent van de vrouwelijke rectoren en directeuren ongetrouwd: een baan van 40 tot 60 uur valt moeilijk met het huwelijkse leven te combineren. Bij de vrouwen is het verschil tussen wens en werkelijkheid door het gebrek aan mogelijkheden voor kinderopvang vaak bittere noodzaak. Voor de mannen geldt waarschijnlijk dat zij te laat beseffen hoe zwaar het schoolleiderschap in feite is.

Duorectoraat

Het is echter onzeker of de schoolleiders die via de enquete lieten weten minder te willen werken, het dan ook makkelijker zullen krijgen. Voorwaarde daarvoor is namelijk dat de taken en verantwoordelijkheden tussen de twee (of meer) deeltijdwerkers tot in detail zijn verdeeld. Ook moet die verdeling bij iedereen bekend zijn. Een inmiddels weer beeindigd 'duorectoraat te A.' had te lijden onder de toenemende scepsis van de docenten. Zij kwamen ' veelvuldig bij de ene rectrix met zaken die in de portefeuille van de andere zaten'.

Pas als dat geregeld is en de hele school achter de leiding-nieuwe-stijl staat, doemen de voordelen op. De schoolleiders kunnen de werkzaamheden zo verdelen dat elk zijn sterke punten benut. Beslissingen worden tweemaal gewogen, bij ziekte is er vervanging en tenslotte is de kans op overbelasting minder groot dan bij een volledige baan. Voor scholen die steeds meer autonomie en dus meer verantwoordelijkheden krijgen, lijken deeltijdschoolleiders om dit soort redenen gewenst. Blase maakt de vergelijking met de grote, door fusies ontstane scholen in het middelbaar beroepsonderwijs. Die worden geleid door 'centrale directies', waarvan de 3 formatieplaatsen door 5 personen kunnen worden bezet.

Maar in het voortgezet onderwijs is het zover nog niet. Tot 1988 was het daar zelfs onmogelijk om als rector of directeur in deeltijd te werken. In dat jaar is het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel zo veranderd dat ' de directeur kan worden benoemd in een deel van de normbetrekking, waarbij het resterende deel van zijn formatieplaats kan worden toegevoegd aan de formatie voor de adjunct-directeuren'. Ook is het mogelijk ' op het resterende deel van de formatieplaats van de directeur een andere directeur te benoemen in parttime betrekking'.

Het ministerie van onderwijs heeft dit niet alleen gedaan met het oog op de grotere autonomie van scholen. Wat ook onrust baart, is het kleine percentage vrouwen in de schoolleiding. Niet meer dan 4 procent van de schoolleiders in het voortgezet onderwijs is vrouw, versus 43 procent van de docenten. Bij de fusies van de vroegere huishoudscholen met de lagere technische scholen (tot scholen voor lager beroepsonderwijs) is het aantal vrouwelijke directeuren met 80 procent verminderd. Het ministerie heeft geinvesteerd in cursussen 'Vrouw en management', in vacaturebanken en in de mogelijkheid van zwangerschapsverlof voor directeuren.

Liever een vrouw

Dat dit weinig zoden aan de dijk zet, is voor wie het lijstje voordelen van vrouwelijke schoolleiders leest eigenlijk heel vreemd. Onderzoek in de Verenigde Staten heeft uitgewezen dat vrouwelijke directeuren en rectoren meer contact hebben met de docenten dan hun mannelijke collega's. Ze lopen vaker door de school en letten beter op het welzijn van hun personeel. Dit 'management by wandering around' maakt dat ze eerder gevoelens van onzekerheid of ontevredenheid signaleren. Ook staan vrouwelijke schoolleiders meer open voor informatie en ideeen uit het team. Problemen lossen ze op door erover te praten, in plaats van botweg knopen door te hakken.

Maar de weerstand tegen vrouwelijke schoolleiders is ten minste even groot als die tegen deeltijd-schoolleiders. Van de vrouwelijke directeuren en rectoren in Nederland zegt 31 procent last te hebben van vooroordelen en discriminatie. Alleen zijn de vooroordelen over vrouwelijke schoolleiders meestal uit de lucht gegrepen, en geldt dit minder voor de weerstanden tegen deeltijdwerk.

Blase is zo eerlijk ook de nadelen van deeltijdschoolleiders op een rijtje te zetten. Zo kosten gemeenschappelijke beslissingen meer tijd en zijn de uitkomsten soms te genuanceerd. Samenwerking vereist zo nu en dan het opgeven van individuele voorkeuren. (Een deeltijd-schoolleider liet zich ontvallen: ' Ik zou wel eens alleen willen beslissen'.) Docenten kunnen de indruk van blokvorming krijgen. (' De rectrices waren goed bevriend, werkten op een kamer en namen de tijd om tot consensus te komen. Het docententeam werd buitengesloten.')

Verder is door de verdeling van taken de betrokken schoolleider niet altijd aanspreekbaar. Voor de deeltijdwerkers zelf geldt meestal dat hun halve baan toch weer uitdijt, nu tot een driekwart baan. Een vrouwelijke rector die 4 dagen per week wilde werken is al aan de derde variant bezig. Een dag thuis beviel niet, omdat zich dan teveel werk ophoopte. Twee ochtenden vrij was te versnipperd. Ze probeert nu elke dag wat korter te werken, maar is daardoor ' in feite toch weer de hele dag op school.'