De antipoliticus

't Zal wel met het klimmen der jaren te maken hebben: steeds vaker overkomt mij het gevoel van deja vu. (Natuurlijk heeft het met het klimmen der jaren te maken, want naarmate je langer leeft, heb je meer gezien.) De huidige crisis in de Golf doet me denken aan de Suezcrisis van 1956, de reactie van de Verenigde Naties erop aan de oorlog in Korea (1950-1953).

Onlangs kreeg ik dat gevoel weer, en wel toen ik in het eerste nummer van het nieuwe weekblad HP/De Tijd het tweegesprek tussen de politici Bolkestein (VVD) en Van Mierlo (D66) las. Aan wie deed de laatste me onweerstaanbaar denken? Op een goed ogenblik wist ik het: het was Adlai Stevensson. Geen onvleiende vergelijking. Maar eerst: wie was Adlai Stevenson?

Adlai Stevenson was bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 1952 en 1956 de Democratische rivaal van de Republikein generaal Eisenhower. Stevenson was de lieveling van de intellectuelen (eggheads werden ze toen voor 't eerst genoemd), omdat hij de antipoliticus was. Niet dat hij, zoals Van Agt, speelde op de altijd aanwezige achterdocht jegens 'de politiek'; nee: hij sprak niet uitsluitend in termen van zwart en wit.

Daarbij had hij de moed te twijfelen en grappen te maken ten koste van zichzelf. Zijn redevoeringen waren juweeltjes van beschouwelijke analyse, die de toehoorder uitnodigden tot zelfkritiek. Dat was allemaal nieuw en verfrissend, en daarom liepen de intellectuelen, vermoeid van de simplificaties en de hoerastemming van de Amerikaanse politiek, weg met Stevenson.

In het tweegesprek in HP/De Tijd nu is Van Mierlo de antipoliticus. (Op een goed ogenblik zegt hij zelfs: 'Politici doen net of de zaken helderder zijn dan ze in werkelijkheid zijn' waaruit blijkt dat hij zichzelf niet tot dit genus rekent.) Bolkestein daarentegen streeft ernaar dingen op 'superb eenvoudige wijze aan de orde stellen'. Haute vulgarisation noemt hij dat. De sympathie van de intellectueel ligt bij Van Mierlo's weerzin tegen wat hij noemt 'ongenuanceerde antwoorden' in de politiek, bij zijn weigering twee waarheden 'een waarheid voor naar boven, de elite, en een waarheid voor naar beneden' te hanteren. Maar die sympathie gaat vergezeld van twijfel twijfel of je in de politiek met genuanceerde antwoorden erg ver komt.

Wat moet de kiezer met een uitspraak van Van Mierlo als deze: 'Voor een deel moet er genivelleerd worden, voor een deel gedenivelleerd' ? Misschien is dat wel zo, maar leg dat eens uit op een verkiezingsbijeenkomst van mensen van wie niet, zoals de leden van D66 het geval is, 73% HBO of een universitaire opleiding heeft genoten! (Bij de VVD is het overeenkomstige percentage 51.)

Van Mierlo's denken wordt overigens soms zo genuanceerd dat het bijna onwerkelijk wordt. Zo zegt hij: 'Mijn antwoord is dat er niet te veel genivelleerd is, want dan zou je moeten gaan denivelleren.' Want? Ik begrijp dat want niet. Vloeit de constatering dat er niet te veel genivelleerd is, logisch voort uit de weigering te denivelleren? In elk geval: leg deze kronkelredenering ook maar eens aan een verkiezingsbijeenkomst uit!

Een ander punt waar Van Mierlo's genuanceerdheid heel ver gaat, is het volgende. Bolkestein herinnert er op een goed ogenblik aan dat D66 lid was van het Komitee Kruisraketten en het volkspetitionnement tegen die raketten gesteund heeft. Waarop Van Mierlo zegt: 'De partij', met de kennelijke bedoeling zichzelf op dit punt van haar te distantieren. Hoe sympathiek zo'n free for all binnen een partij ook is, zo wint ze geen kiezers en nog belangrijker, in het licht van D66's streven zo schept ze geen duidelijkheid.

Nee, in werkelijkheid zal de politicus wiens partij niet slechts een Gideonsbende wil blijven, niet aan een zekere simplificatie van zijn waarheden kunnen ontkomen. Dat hij, eenmaal tot regeringsverantwoordelijkheid geroepen, ze niet allemaal waar zal kunnen maken, zal zeker in ons coalitieland niemand hem kwalijk nemen. Ook zal zo'n partij zich een minimum aan interne discipline moeten getroosten, wil zij de kiezer een duidelijk beeld van zichzelf willen geven.

We keren terug tot Adlai Stevenson. Hoe is het met hem verlopen? Hij werd in 1952 zwaar verslagen door Eisenhower. Dat zou waarschijnlijk met iedere Democratische kandidaat zijn gebeurd, want de Amerikanen hadden, na twintig jaar Democratisch bewind, daar genoeg van en verwachtten een uitweg uit de toen al ruim twee jaar aanslepende oorlog in Korea eerder van een generaal dan van een sympathieke twijfelaar.

Vier jaar later, bij de verkiezingen van 1956, verloor Stevenson met nog overtuigender cijfers van Eisenhower. In die campagne was hij trouwens niet de oude geweest, hij had veel concessies aan de demagogie gedaan. Weer vier jaar later had de Democratische president Kennedy niet het emplooi voor hem waarop hij meende recht te hebben. Hij stierf, vrijwel vergeten, in 1965, 65 jaar oud.

Hoewel Stevenson de lieveling der intellectuelen was, stemden ze in 1952 niet allen op hem. De dag na de verkiezingen schreef een hunner hem: 'Ik had zo graag op u willen stemmen dat ik het bijna kon proeven.' Niettemin had hij het niet gedaan, om redenen als hierboven genoemd (de oorlog in Korea en twintig jaar Democratisch regime zijn genoeg). In dit geval wonnen zeer concrete politieke redenen het van de sympathie voor de persoon en zijn originele aanpak. Zoals het hoort in een democratie.