Amputeren of sparen van borst maakt psychisch niet uit

Borstsparende operaties bij patientes met borstkanker zouden, zo werd verwacht, vergeleken met vrouwen die een borstamputatie ondergingen, de psychologische problemen na de ingreep sterk doen afnemen. Dat dat niet zo is hebben Britse psychologen (British Medical Journal, 22 sept.) aangetoond die 269 vrouwen met vroeg-ontdekte borstkanker twaalf maanden volgden.

Angst, depressies en een gestoord seksueel leven komen vrijwel even vaak voor bij patientes die een borstamputatie als bij vrouwen die een borstsparende operatie hebben gehad. Van de 269 patientes werden 31 behandeld door chirurgen die de voorkeur gaven aan borstamputatie; 120 kwamen terecht bij chirurgen die borstsparende behandelingen wilden verrichten terwijl 118 vrouwen van hun chirurg de keus kregen. Niet alle chirurgen gaven ook de behandeling van hun voorkeur. Ze lieten zich uiteraard mede leiden door het ziektebeeld. Vrouwen met niet-waarneembaar uitgezaaide kankers van minder vijf centimeter doorsnee werden tot de studie toegelaten. Uiteindelijk werd bij 154 een borst geamputeerd bij de andere 115 werd alleen klierweefsel verwijderd.

Twaalf maanden na de ingreep (tien patienten zijn dan overleden) lijden 17 tot 25 procent van de patientes aan depressies, 20 tot 43 procent heeft last van angst. Patientes die van hun arts de keus kregen zijn significant minder angstig en depressief. Tussen vrouwen die een borstamputatie of een borstsparende behandeling kregen was geen duidelijk verschil.

De auteurs beseffen dat ze controversiele resultaten presenteren. Eerdere studies lieten evenmin een vermindering van psychische klachten zien, maar daarbij werd meestal retrospectief onderzocht. Bovendien waren daar weinig patientes bij betrokken, zodat er grote verschillen nodig waren om statistische significantie te bereiken. Aan die bezwaren denkt men nu tegemoet te zijn gekomen.