Afgebeelde kooktechnieken waren in 1066 in West-Europa nogonbekend; 'Tapijt van Bayeux is niet authentiek'

ROTTERDAM, 2 okt. Het Tapijt van Bayeux is niet het authentieke 900-jarige wandkleed waarvoor men het houdt, maar wellicht een latere kopie. Dat beweert een Briste deskundige op het gebied van antiek textiel, Robert Chenciner, in de Britse zondagskrant The Observer. De geleerde, werkzaam bij St Anthony's College in Oxford, vindt dat een wetenschappelijke datering van het tapijt volgens de C14-methode, moet uitwijzen of het inderdaad om een origineel gaat.

Het Tapijt van Bayeux is een linnen wandkleed van ongeveer zeventig meter lang en een halve meter hoog, waarop de Slag bij Hastings uit 1066 als een soort stripverhaal is afgebeeld. Bij die gelegenheid versloeg hertog Willem van Normandie de Engelse koning Harald en heette sindsdien 'De Veroveraar'.

Men neemt aan dat het doek gemaakt is in de elfde eeuw, in opdracht van Odo, bisschop van de Normandische stad Bayeux. Het doek werd vanaf de vijftiende eeuw op bijzondere kerkelijke feestdagen in de kathedraal van die stad getoond, en was lange tijd opgerold. Dat zou de goede staat verklaren, waarin het doek verkeert. In Bayeux bevindt zich thans een speciaal museum voor het wandkleed. Het geldt als een belangrijke bron van kennis over militaire tactieken en uitrusting uit het verleden.

Chenciner, auteur van een aantal boeken over historisch borduurwerk, gelooft niet dat de goede staat van de Tapisserie zonder meer verklaarbaar is, omdat het zelfs beter bewaard is gebleven dan wandkleden uit de vijftiende en zestiende eeuw. Ook de afgebeelde figuren zouden primitiever zijn dan destijds gebruikelijk. Dat blijkt onder meer uit het borduursel van het Opus Anglicanum uit dezelfde tijd, dat 'een veel grotere vaardigheid toont, dan het onhandige tekenwerk' op het Tapijt van Bayeux. Ten derde bevat het doek geen geinkte sjabloon, zoals gebruikelijk, maar gaatjes. Deze wijzen er volgens Chenciner op dat het patroon op het kleed met garen werd uitgezet, een techniek die werd gebruikt bij het maken van kopieen.

Tenslotte zou de scene op het doek waarin het bereiden van een feestmaaltijd is afgebeeld, onhistorisch zijn. In het betreffende segment van het doek is te zien hoe bedienden spiezen doorgeven waaraan vogels en blokjes vlees zijn geregen. Ook worden blokjes vlees op een 'doosvormige barbecue' geroosterd. Deze, volgens Chenciner op de Arabische kookkunst geinspireerde techniek, zou toen nog niet in Europa bekend geweest zijn. Vlees werd in zijn geheel, aan het bot geroosterd en pas daarna gesneden.

De Nederlandse expert op het gebied van middeleeuwse voedselbereiding, prof. dr. Marietje van Winter, wijst Chenciners opmerkingen over de kookscene van de hand als 'volstrekt onbewijsbaar', omdat er geen receptenboeken bestaan uit de elfde eeuw. De vroegste bronnen voor West-Europese kooktechniek dateren uit de dertiende eeuw. Met de scene, die tevens staat afgebeeld in Van Winters standdaardwerk Van Soeter Cokene (1971), kan volgens haar evenzeer bewezen worden dat de middeleeuwers deze techniek wel degelijk kenden.

Dat deze techniek in West-Europa bekend was, noemt zij 'zeer aannemelijk'. 'Arabische invloeden in West-Europa zijn veel ouder dan de eerste kruistocht van 1096', aldus Van Winter. In een Arabisch kookboek uit 1226, dat door Van Winter is beschreven, blijkt in ieder geval dat de techniek is ingeburgerd.

Het Musee de la Tapisserie te Bayeux was onbereikbaar voor het geven van commentaar op Chenciners hypothese.