PATRICK WHITE 1912-1990 Het vaderland kastijden

In tegenstelling tot de Amerikaanse literatuur is de Australische nooit zo vervuld geweest van de hoop dat op een goede dag de Grote Roman zou verschijnen waarin het volk zijn natuur en zijn bestemming zou herkennen. Toch hebben de Australiers er een gekregen, in 1957 in de vorm van Patrick White's roman Voss, over een Duitser die in 1845 de dorre binnenlanden van hun continent ging onderzoeken.

White werd in 1912 geboren in Londen, in een welgesteld Australisch gezin. Zijn kinderjaren bracht hij in Australie door, maar hij werd naar school gestuurd in Engeland, studeerde in Cambridge en bleef in Europa tot 1946, na dienst in de Royal Air Forece tijdens de oorlog. Hij kende zijn Europa, behalve Engeland ook vooral Duitsland (en van Duitsland in het bijzonder Nietzsche), maar Australie bleef zijn vaderland, dat hij ging uitbeelden en kastijden.

Een van zijn vroegste romans was The living and the dead uit 1941, niet een veelgeprezen boek, maar de titel was een programma voor zijn levenswerk. Hij heeft telkens weer het onderscheid gemaakt tussen mensen die een spirituele inhoud aan hun leven gaven ('de levenden') en conventionele, banale gezelligerds ('de doden') die bij hem vaak gelijk stonden aan de gewone Australier.

Zijn landgenoten waren niet steeds blij met die visie. Op den duur werden zij enigszins vergenoegd over zijn aanwezigheid, toen hij aanzien ging genieten in de wereld en in 1973 de Nobelprijs kreeg. Hij werd er niet vriendelijker van. Hij vervolgde zijn weg naar een stugge en soms agressieve oude dag; hij trok de aandacht met uitspraken tegen de regering van Bob Hawke en het Engelse koningshuis, en voor de Aboriginals en de homoseksualiteit.

Een van de kwaliteiten van zijn roman Voss is dat daar het onderscheid tussen de levenden en de doden gecompliceerd wordt door tegenstrijdige karaktertrekken binnen beide groepen. In sommige andere romans zijn de levenden zo subliem en de doden zo benepen dat wij wel met de schrijver kunnen meeleven, maar moeilijk met zijn scheppingen.

Dat is bijvoorbeeld het geval in Riders in the chariot uit 1961, waarin een Duits-joodse emigrant in Australie, genaamd Himmelfarb, wordt afgetuigd door antisemieten en later sterft 'ook op vrijdag'. Toch is dit geen roman om voor het eind mee op te houden, en wie hem eenmaal gelezen heeft vindt er later halfvergeten gezichten en scenes in terug, alsof zij eigenlijk nog altijd in de herinnering leven.

Dat geldt ook voor The solid mandala uit 1966 en The vivisector uit 1970 en voor de latere romans, hoewel het niet totaal ongebruikelijk is dat lezers beginnen te voelen dat zij langzamerhand wel weten wat Patrick White vertegenwoordigt. Dan wordt het tijd om zijn werk een paar jaar te laten rusten. Verdwijnen zal het niet, de meeste romans zijn als Penguin verschenen en ook zijn autobiografie Flaws in the Glass uit 1980; van Voss blijft waarschijnlijk het meeste over, met zijn hoofdpersoon die op ontdekkingsreis ging. Niet naar wat er in Centraal-Australie was, maar naar wat hij in zichzelf zou vinden als alle beschermende zekerheid wegviel.

Daarnaast moet in aanmerking genomen worden dat White's visie op de banale Australiers in opruiende komedie uitgedrukt is. Miss Docker, de hoofdpersoon van zijn toneelstuk A cheery soul uit 1962, is een monument van onuitstaanbare gezelligheid; zij is ook de vrouw die op bepaalde ogenblikken 'lachte als een motorfiets'.

In een nog steeds onverzoende stemming is White van ons heengegaan. Zodat niet meteen vaststond dat hij werkelijk dood was, omdat hij niet wilde dat de lastpakken van de media er zich mee bemoeiden en dat honderden gezelligerds op zijn begrafenis zouden komen.

Maar waarschijnlijk is Patrick White toch overleden.