Instrumentbouwer Sax

De geschiedenis van de saxofoon werd bepaald door oorlogen, revoluties en militaire rivaliteit.

De Franse legerleiding probeerde al jaren haar muziekkapellen op het niveau te brengen van de Oostenrijkse en Pruisische bands, toen ze in 1841 een fonkelnieuw instrument onder ogen kreeg.

De bouwer, Antoine Joseph Sax, werd op 6 november 1814 in Dinant in Belgie geboren en kreeg de muziek en de instrumentbouw met de paplepel ingegoten. Zijn vader had een grote blaasinstrumentenfabriek in Brussel en Adolphe, zoals hij genoemd werd, bekwaamde zich aan het Brusselse conservatorium in fluit en klarinet.

Het enthousiasme van de Franse legerleiding deed Sax besluiten naar Parijs te verhuizen. Bovendien toonde het Franse conservatorium belangstelling, evenals de componist Berlioz.

De eerste jaren in Parijs werkte Sax gestadig aan de verbetering van zijn instrument, dat zelf weer een verbetering was van de ventielbeugel, tenorhoorn en bastuba. Hij patenteerde de saxofoon in 1846, maar het succes ervan was toen al verzekerd. Op 19 augustus 1845 stelde de minister van defensie de saxhoorn, saxofoon en saxotrombas namelijk verplicht voor alle regimentsmuziekkapellen. Deze beslissing volgde op een concours tussen verschillende fanfarekorpsen waarbij Sax als grote overwinnaar uit de bus was gekomen.

Dit ministeriele besluit stuitte natuurlijk op fel verzet van andere instrumentbouwers. Tussen 1846 en 1867 was Sax dan ook onafgebroken in processen verwikkeld.

Sax won bijna al deze processen, maar tegen de revolutie die in 1848 losbrak kon hij niet op. Na het uitroepen van de republiek werd het ministeriele besluit ongedaan gemaakt, de saxinstrumenten verdwenen uit de militaire bands en in 1852 ging Sax failliet.

Adolphe had zich in de jaren daarvoor een zeer inventief propagandist voor zijn instrument getoond. Al in 1844 had hij een eigen fanfare opgericht en vanaf 1847 organiseerde hij concerten met saxintrumenten in de concertzaal die hij in zijn huis aan de rue Neuve Saint-Georges had laten bouwen.

Nu wist hij binnen twee jaar te bereiken dat Napoleon III hem benoemde tot Facteur d'instuments de musique de la maison militaire de L'empereur zeg maar een soort hofleverancier. De overheidsbestellingen stroomden weer binnen en Adolphe Sax en Cie ging een bloeitijd tegemoet. Tegen 1860 had het bedrijf al twintigduizend instrumenten gemaakt en omstreeks 1877 zo'n veertigduizend. Om de afname te bestendigen gaf Sax saxofoonles aan het Parijse conservatorium. Bovendien richtte hij een uitgeverij op voor fanfaremuziek en concoursstukken voor saxinstrumenten.

Het mocht niet baten. De Frans-Duitse oorlog van 1870 en de daarop volgende opstand in Parijs ondermijnden de afzet zozeer dat Sax in 1873 voor de tweede keer failliet ging. Een derde faillisement volgde in 1877 en toen was het met de buigzaamheid van de ingenieuze instrumentbouwer gedaan. Hij zag zich genoodzaakt zijn grote particuliere verzameling instrumenten openbaar te verkopen en bouwde in de jaren daarna nog maar een paar duizend instrumenten. Zijn naam was intussen wel tot een Nederlands naslagwerk doorgedrongen. In 1887 schreef de Winkler Prins: 'Saxhoorns hebben een aangenamen, zwaarmoedig gekleurden toon. Wegens de dikke buis is de schaal onzeker en de intonatie moeielijk.'

Sax stierf op 7 februari 1894 in Parijs. Zijn laatste jaren had hij in zo'n grote armoede geleefd dat enkele componisten bij het Ministerie van Schone Kunsten hadden aangeklopt om financiele steun. De saxofoon raakte jarenlang in onbruik, maar toen het instrument omstreeks 1918 voor het eerst in jazz-bands werd gebruikt, volgde er een spectaculaire opleving. Voor de erfgenamen van Sax kwam dit te laat: zoon Edouard Sax verkocht de merknaam en de ateliers in 1928 aan de Parijse instrumentbouwers Selmer.