Gebrek aan durf

NA ACHT WEKEN Golfcrisis is de geindustrialiseerde wereld zich de gevolgen van de steigerende olieprijzen pijnlijk bewust geworden. In tal van financieel-economische scenario's zijn de kostenverhogingen voor het bedrijfsleven en de vermindering van de economische groei geschetst die voortvloeien uit de opgejaagde brandstofprijzen. Ook de meeste regeringen ondervinden de negatieve invloed daarvan op hun uitgavenplannen. Het overleg met werkgevers- en werknemersorganisaties over de arbeidsvoorwaarden in 1991 staat daardoor onder druk. De Belgische premier Martens heeft al gedreigd met het machtsmiddel van de Concurrentiewet als de sociale partners zich niet uit eigen beweging voldoende beperken. In de geindustrialiseerde wereld zijn deze problemen nog te overzien. Ontwikkelingslanden die geen olie en weinig grondstoffen produceren, worden veel harder getroffen door de agressie van Saddam Hussein.

ONOMSTREDEN IS langzamerhand de opvatting dat de huidige stijging van de olieprijs tot dichtbij de veertig dollar per vat voor een groot deel te wijten is aan paniek en aan speculatieve invloeden op de markten. Minister-president Lubbers gaf vrijdagavond dit effect aan alsbelangrijkste reden waarom de regering nu geen heil ziet in het inzetten van de strategische olievoorraad. Speculatie kan moeilijk worden bestreden door het aanbod op de markt te vergroten met een eindige voorraad die is bestemd voor echte noodsituaties, zo luidt de redenering.

Nu de Amerikaanse regering steeds duidelijker aangeeft dat de optie van een militair ingrijpen om het Iraakse geweld in Koeweit te keren dichterbij komt, wint dit argument aan kracht. Er zijn op dit moment nog grote strategische voorraden, voor het Westen en Japan samen een miljard vaten olie. Maar in een oorlogssituatie waarbij de olievoorziening ernstig zou worden verstoord, helpt dit appeltje voor de dorst slechts voor een beperkte periode.

Uit de gegevens die het Internationale Energie Agentschap (IEA) vorige week bekendmaakte, blijkt dat de olievoorziening in het Westen en Japan op het ogenblik kantje boord voldoende is. Aanbod en vraag verkeren in een fragiel evenwicht. Het risico van een tekort blijft aanwezig, ondanks de verhoogde olieproduktie in enkele OPEC-landen. Bij het begin van de winter wordt een moeilijke situatie verwacht. Er is geen reserve om tijdelijke problemen als het uitvallen van raffinaderijen, ongevallen met installaties of stakingen op te vangen. In sommige landen in het Verre Oosten bestaat al een tekort aan brandstoffen.

ALLEEN IN EEN acute tekortsituatie kan het IEA noodmaatregelen afkondigen om de beschikbare hoeveelheid olie en brandstoffen te verdelen en de vraag te beperken. Onder de huidige omstandigheden leidt dat tot een te passief en onbekommerd beleid. Men ziet een groot probleem op zich afkomen dat niet snel wordt opgelost, ook al zou Saddam Hussein morgen worden gedwongen het veld te ruimen, maar er wordt weinig concreets ondernomen. De analyse van het IEA onderstreept pijnlijk deze betrekkelijke onmacht. Er staan duidelijke waarschuwingen in die analyse die ook de oliehandel niet zullen ontgaan. Maar de conclusies die er aan werden verbonden bestaan in hoofdzaak uit aanbevelingen aan de regeringen.

Het beeld van de internationale oliehandel laat een cirkelgang zien waarin bezorgdheid over de toekomstige olievoorziening en speculatie om de voorrang strijden. Terwijl het aanbod nu nog net voldoende is, zien we op de termijnmarkten prijsopdrijving. De notering van vandaag in Londen, New York en Singapore voor termijncontracten voor levering in november bepaalt morgen de prijs die de exportlanden krijgen. Die cirkelgang is alleen te doorbreken door het aanbod te vergroten of door de vraag te verminderen. Aan het eerste kunnen op korte termijn alleen de OPEC-landen iets doen. Maar er is weinig perspectief zolang de oorlogsdreiging voortduurt en de olievelden in Koeweit zijn bezaaid met mijnen en de raffinaderijen behangen met dynamiet.

DE GEINDUSTRIALISEERDE wereld kan echter wel degelijk ingrijpen. Een groot deel van het energieverbruik komt voor rekening van het gemotoriseerde verkeer. Een zwaardere belasting van de energieverbruikers kan een zuiniger verbruik afdwingen dan wel extra middelen opbrengen. In de Verenigde Staten is een belasting op benzine voorgesteld en ook de Europese Commissie speelt al enige tijd met die gedachte.

De Nederlandse regering liep een tijd lang voorop door in het Nationaal Milieubeleidsplan een accijnsverhoging op benzine voor te stellen met de opbrengst waarvan een ruimere infrastructuur voor het openbaar vervoer zou worden betaald. De regeringsfracties blijken nu kortzichtig en tonen een gebrek aan durf. Ze willen de accijnsverhoging niet laten doorgaan om de benzineverbruiker gezien de recente prijsverhogingen niet te zwaar te belasten. De beoogde opbrengst van 300 miljoen gulden zou dan op een andere manier moeten worden gevonden. Maar beter is het de benzineverbruiker nu toch extra te belasten. Deze kan dan zelf bepalen of hij wil bijdragen aan een gerichte verruiming van de algemene middelen dan wel aan een vermindering van het olieverbruik.