Farce Watersnood strandt in karikaturale uitvergroting

'Ieder mens heeft recht op zijn eigen Waterloo', zegt een van de personages in Watersnood, een voorstelling van Het Gebeuren. Deze uitspraak gaat op voor alle figuren in het stuk. Ze menen er zelfs een zekere status aan te kunnen ontlenen. Leed, in welke vorm dan ook, wordt in deze zwarte komedie gekoesterd en gecultiveerd; zo is er een scene waarin twee mensen twisten over de vraag wie van hen het meest heeft geleden, alsof de uitkomst daarvan hun eigenwaarde zou kunnen bepalen. Leed is de drijfveer van de figuren, het bepaalt hun gedrag en handelingen; ze kunnen zich erachter verschuilen.

Regisseur Johan Doesburg is geintrigeerd door de opportunistische houding van de mens en de dubbele moraal die achter veel steekt, zoals al eerder bleek uit de stukken die hij de afgelopen jaren op het toneel heeft gebracht: onder meer Mein Kampf van Georg Tabori, Steinbecks Muizen en mensen en Heksenjacht een voorstelling die voortijdig werd afgebroken, nadat het door Doesburg gebruikte woord 'jodenlawaai' een rel had veroorzaakt.

Doesburg houdt zich bezig met morele vraagstukken: hoe reageren mensen in extreme conflictsituaties? Wie is de beul en wie het slachtoffer? De Tweede Wereldoorlog is daarbij vaak een geschikt uitgangspunt. Zo niet in Watersnood: aan het door Doesburg geregisseerde en samen met Ton Theo Smit en Mathieu Verstegen geschreven stuk ligt de watersnoodramp van 1953 ten grondslag.

Voor de hoofdpersoon (Esgo Heil) is deze gebeurtenis een bron van frustraties waarvan hij gretig misbruik maakt. Buiten de deur loopt hij niet te koop met zijn prive-ellende, maar binnenskamers laat hij zich erop voorstaan. Doordat hij als negen-jarige jongen de watersnoodramp in Zeeland heeft meegemaakt, waarbij hij zijn ouders verloor, heeft hij iets waar de anderen niet over kunnen meepraten en dat pepert hij ze stevig in.

Maar de andere figuren stellen er hun eigen problemen tegenover (abortus, astma) en ze dienen hem fors van repliek. Al meteen in de eerste scene is duidelijk dat een crisis niet kan uitblijven en dat gebeurt dan ook als gevolg van een pijnlijk gedwongen samenzijn. De uitbarsting komt tegelijk met en wordt gesymboliseerd door een nieuwe dijkdoorbraak in Zeeland, waarbij de muur van opeengestapelde emmers op het podium met luid geraas instort.

Het is de apotheose van een lange schreeuwende scheldpartij: het leed wordt hier niet stil gedragen. In snelle, spitse zinnen bekt iedereen elkaar af. De seksuele toespelingen zijn niet van de lucht en bijna iedereen gaat wel een keer geheel of gedeeltelijk uit de kleren voor een of andere besmuikte erotische handeling. Watersnood is een farce van het rauwste soort. Humor staat in deze voorstelling gelijk aan het zo gevat mogelijk de grond in boren van de tegenspelers en op dat punt slaat het stuk volkomen door. Johan Doesburg heeft in zijn karikaturale uitvergroting van de personages en zijn hang naar het blootleggen van 's mensen drijveren geen maat kunnen houden. Van begin tot eind is het op het toneel een getier van jewelste. Verhaal en spel vertonen nauwelijks ontwikkeling en de personages blijven sjablonen.

    • Johan Doesburg
    • Noor Hellmann Voorstelling
    • Ariane Schluter
    • Mathieu Verstegen
    • het Gebeuren. Regie
    • Adriaan Adriaansen. Gezien
    • Lucienne van Amelsfort
    • Rupert van Heijningen
    • Esgo Heil
    • van Johan Doesburg
    • Ton Theo Smit