De Misantroop: elegante zedenschets

Meteen al bij hun eerste ontmoeting wordt Alceste zo kwaad op zijn aanbeden Celimene, de lustige Witwe in Molieres De Misantroop, dat hij zijn meegebrachte cadeautje nog ingepakt en al aan barrels gooit. Hij heeft dan al een vol bedrijf onder zijn arm gelopen met wat nog het meeste lijkt op een voetbal met een strik erom, maar, de proef op de som genomen, stuitert het ding niet. Het ligt gekneusd aan zijn voeten: voorwaar een slecht teken.

'Kan ik er iets aan doen dat ik aanbidders heb?', vraagt Celimene (Jacqueline Blom) zich openhartig af. Nee, inderdaad, zij kan het niet helpen, dat decor- en kostuumontwerper Rien Bekkers haar in een strapless jurkje heeft gestoken en haar een peenrode pruik op het hoofd heeft gezet. Onder dat uitdagende kleedje blijkt later nog een hypermoderne bodystocking schuil te gaan, maar vreemd genoeg vormt deze Celimene met haar lelieblanke decollete toch een historiserend geheel, rechtstreeks afkomstig van een Velasquez-schilderij.

Schilderijen, of liever portretschilderijen, zijn een belangrijk motief in de aankleding van deze Haagse De Misantroop, bij Het Nationale Toneel. Ze duiden op de ijdelheid van de elite, ten tijde van Louis XIV (en nu), het mikpunt van Molieres satirisch vernuft. Vandaar dat Bekkers en regisseur Albert Lubbers de waarheidszoeker Alceste (Rudolf Lucieer) in het eerste bedrijf in een benauwende portrettengalerij plaatsen. En ook de salon van Celimene hangt vol, zij het met slechts lege lijsten: aan concurrentie heeft de kokette jonge weduwe kennelijk geen behoefte.

En dat terwijl ze al niets te duchten heeft! Moliere heeft haar een briljant conversatietalent gegeven, in combinatie met een LuLu-achtig instinct. Ze misbruikt haar gaven ten volle, precies op de manier die Alceste, de luis in de pels, zo verafschuwt. Hij haat de roddel en achterklap aan het hof, zijn kritiek, nog feller dan de vileinste kwaadsprekerij, uit hij slechts recht in het gezicht van de gewraakte persoon. En uitgerekend hij, de filosoof van de waarheid, verslingert zich hopeloos aan de uit louter berekening bestaande Celimene, over wier 'schitterend' karakter zelfs de pluimstrijkende parvenu Clitandre later opmerkt: 'U weet hoe zoiets in de volksmond wel genoemd wordt?'

Regisseur Albert Lubbers heeft van Molieres komedie een vederlichte en elegante zedenschets gemaakt. Zijn rol is ondergeschikt aan die van zijn acteurs, slechts hier en daar geeft hij op kluchtige wijze acte de presence. Als de op dubbelspel betrapte Celimene ijzig zegt: 'Ik vind dit niet prettig', moet zij zich onder de hartstochtelijk over haar heen gevallen Alceste uit worstelen en ook de manier waarop zijn huisknecht hem daarna afvoert, verraadt de hand van een musisch begaafd regisseur.

Rudolf Lucieer als Alceste is uit woede opgetrokken, een tikje te integraal naar mijn smaak. Moliere heeft hem, behalve hartstocht en nijd, ook enige filosofische afstandelijkheid vergund, een natuurlijke superioriteit die soms tezeer in de door Laurens Spoor in soepele blanke alexandrijnen vertaalde tekst verscholen blijft. Nogal vreemd, hoewel amusant, zijn de mannelijke bijrollen, van Oronte, Clitandre en Acaste. Hoewel zij allen evenzeer dingen naar Celimenes hand, gedragen zij zich conform hun kleding: als geparfumeerde relnichten. De vermakelijke Porgy Franssen als de poete manque Oronte lijkt aanvankelijk eerder op Alcestes erotische gunsten uit te zijn dan op die van zijn geliefde. De homoseksuele medemens mag buitengewoon salonfahig zijn, niet iedere precieux is er een. Vraag het Moliere maar.