De krabpaal

Het vaderschap is in de mode. Daarmee doel ik niet op het permanente vaderschap dat is, zoals de meer ervarenen onder u weten, een smartelijke bestaansvorm, een bij voorbaat verloren gevecht tegen de terreur van de gezinsgenoten. (Waarom scheiden zoveel mannen omstreeks hun veertigste? Omdat ze van hun vrouw en van hun kinderen afwillen. Ze willen rust aan hun kop. 'Er is geen ander', troosten steeds meer scheidende mannen hun vrouw, 'maar ik kom er na twintig jaar achter dat ik minder geschikt ben voor het samenwonen.')

Nee, het vader worden, dat is tegenwoordig voor veel mannen het doel waarnaar zij met blinde devotie streven. Zo'n tien, twintig jaar geleden was het nog een tamelijk prozaische aangelegenheid. De man bevruchtte zijn vrouw, viel in slaap en negen maanden later stommelde een wildvreemd mens de trap op dat hem uit zijn slaapkamer zette met de woorden: 'Meneer zal wel zenuwachtig wezen, laat meneer maar beneden wat koffie gaan zetten, wij redden het wel.' Na afloop, als hij geen koffie gemorst had, mocht hij de moederkoek in de tuin begraven: 'Maar wel goed diep, meneer, anders graven de honden het op.'

Voorbij, voorgoed voorbij. Tegenwoordig worden mannen al in een vroeg stadium ingewijd in de geheimen van de zwangerschap. Ze vergezellen hun vrouw naar de controles van de verloskundige, plegen overleg met de zwangerschaps-haptonoom en registreren driemaal daags de plofsignalen in de buik van hun vrouw. De nieuwe vader is mondig geworden. Hij laat zich niet langer koeioneren door vroedvrouwen en schoonmoeders, hij eist als verwekker zijn rechten op.

Als je de nieuwe vader-in-wording moet geloven, is zijn vrouw niet meer de enige die bevalt. Hij participeert een ander woord hebben ze er niet voor in haar bevalling. Of nog sterker: ze doen het samen.

Mijn lijfblad Viva ondervroeg laatst een aantal van deze vaders, en je kon merken dat die jongens nog een beetje moesten wennen aan de rol die ze zichzelf hadden opgelegd. 'Mij viel op', zei Pieter (32), art-director en vader van dochter Pimmetje, 'dat je pas bij de echte persweeen met iets bezig bent dat volledig onbekend is. De uren daarvoor heb ik eigenlijk een merkwaardige rust gevoeld.'

Joost (34), chemicus, keek er zelfs met gemengde gevoelens op terug. 'Ik lag daar echt met het idee: ik moet haar toch bijstaan, maar ik ben zo moe (...). Ik heb tijdens het persen achter haar gezeten. Dat was best zwaar, je zit in een rare houding, waarvoor je eigenlijk een goede conditie nodig hebt.' Eelco (32), bouwkundige, had gelukkig niet tegen de bevalling opgezien. 'Ik was er in ieder geval niet bang voor. Je vertrouwt er toch op dat als zoiets bij zo veel andere mensen goed is gegaan, het ook bij jou wel zal lukken.' En Luuk (38), maatschappelijk werker, kon enige weemoed niet onderdrukken: 'Het zwanger zijn, de aanloop naar het bevallen, het moment van geboren worden, zal ik zeker missen.'

Voor Bob (34), systeemanalist, moest het allemaal nog gebeuren. Hij had al 'het nodige leeswerk achter de rug', maar hij kon nog onmogelijk zeggen wat hij straks zou voelen, want hij had 'absoluut geen referentiemateriaal' en daarom kon hij 'het emotionele niet goed inschatten'. Hij vond zich vrij nuchter, Bob, en hij wilde de bevalling dan ook liever 'relativeren': 'Ik ga er maar van uit dat ik tijdens de bevalling als een soort krabpaal zal fungeren. Ik vind Margot wel eens een beetje aanstellerig.'

De kwaadwillende lezer proeft in de woorden van Bob misschien enige hardvochtigheid, maar ik zou namens de moderne vaders van Nederland toch begrip voor zijn positie willen vragen. Eerst word je als man geacht zo'n kind te verwekken, wat voor veel mannen al een grotere opgave is dan ze willen toegeven. Dan moet je het negen maanden durende gezeur over de baby-uitzet doorstaan, en ten slotte dien je jezelf, zonder enig referentiekader, te gedragen als de koele kapitein op de woelige baren van het kraambed. En wat doet je vrouw in de tussentijd? Die ligt zich daar een beetje aan te stellen.

Als het zo doorgaat, rijst straks de bange vraag: is de Nederlandse man nog wel langer bereid kinderen ter wereld te brengen?