WOODROW WILSON; Een pseudo-democratische idealist

De populariteit van twintigsteeeuwse Amerikaanse pre sidenten is redelijk af te meten aan hun benaming in het 'dagelijks spraakgebruik'. John F. Kennedy, Franklin D. Roosevelt en Theodore Roosevelt, kunnen permanent op de initialen JFK, FDR en TR aanspraak maken. Op een iets lager niveau staan leiders die met hun hele naam genoemd worden: Harry Truman en Lyndon Johnson, die zich korte tijd kon beroemen op de initialen LBJ, totdat de oorlog in Vietnam hem weer zijn volledige naam teruggaf. Iets lager op de schaal staan de twijfelgevallen, leiders voor wie sympathie bestaat, maar die geen blijvende indruk achterlieten. Eisenhower wordt vaak in positieve zin met 'Ike' aangeduid, terwijl Carter nog geringschattend 'Jimmy' wordt genoemd. In de laagste divisie tenslotte staan de presidenten die alleen met de achternaam getypeerd worden; Hoover, Harding, Coolidge en, hoewel hij zichzelf tot vervelens RN noemt, Nixon.

Betreffende de president Woodrow Wilson lijkt de kwalificering gecompliceerd te liggen. Hoewel met respect over hem is geschrevens, lijkt hij veroordeeld tot een plaats in de categorie waarin leiders met de voor- en achternaam aangeduid worden. De president die tegen zijn wil Amerika in de Eerste Wereldoorlog bracht en door de Vrede van Versailles in 1919 een overweldigende indruk achterliet, lijkt nimmer aanspraak op de initialen WW te kunnen maken. Een zaak die wellicht zijn biograaf Jan Willem Schulte Nordholt betreurt omdat zijn hoofdpersoon blijkens de ondertitel van het zijn boek 'een leven voor de wereldvrede' leidde. Het is niet verrassend dat Schulte Nordholt een ongekende bewondering voor Wilson tentoonspreidt. De biograaf identificeert zich met zijn hoofdpersoon omdat hij net als Wilson op een verdienstelijke carriere als dichter en historicus kan terugzien en, als literator, vanuit een protestantse

achtergrond schrijft.

Geboren op 28 december 1856, groeide Wilson op in een presbyteriaans milieu. Hij stamde uit een oud Schots-Iers geslacht van dominees, zijn vader was een gevierd prediker in verscheidene kerken in het zuiden van de VS, maar geenszins rigide in de leer. Geregeld legde hij een biljartje, liet zich een 'Scotch' goed smaken, en rookte als zuiderling graag een pijp met 'plain tobaco' uit Virginia. Nadat Wilson enkele scholen in het zuiden had bezocht, ging hij in 1875 geschiedenis en politieke wetenschappen studeren. Spoedig ontwikkelde hij een grote voorliefde voor Engeland en een ongekende bewondering voor Gladstone om diens literaire begaafdheid, gecombineerd met een diep christelijk geloof en krachtig staatsmanschap. Als student en wetenschapper schreef hij herhaaldelijk over het Engelse constitutionele systeem, dat hij zelfs boven het Amerikaanse leek te prefereren. Zijn jeugdige enthousiasme over bijvoorbeeld de Engelse ministeriele verantwoordelijkheid zou hij later sterk ontkrachten. Gedurende zijn presidentschap behandelde Wilson zijn minister van Buitenlandse Zaken als een voetveeg en voor senatoren had hij nimmer een goed woord over; zij wisten niets van de wensen van het volk.

NATIONALIST

De afkeer van senatoren wegens hun vermeende afstand tot de achterban kon de schijn wekken dat de toekomstige president zeer democratisch was. Zijn geschiedkundige werken gaven inderdaad blijk van een grote kennis van dit staatssysteem, schrifturen waarin hij bovendien een grote morele betrokkenheid toonde met de Amerikaanse natie en met het zedelijke gehalte van zijn land.

Als historicus manifesteerde Wilson zich als een nationalist, die geen moeite had met de legitimering van de Amerikaanse oorlog met Spanje in 1898 om Cuba, de Filippijnen en Porto Rico. Amerika's expansie rechtvaardigde hij op basis van een blindelings vertrouwen in de Amerikaanse mens en de overtuiging dat zijn land een bijzondere plaats innam in Gods heilplan voor de wereld.

Wilsons glansrijke carriere als historicus werd in 1902 bekroond met het rectorschap van de universiteit van Princeton. Op het eerste gezicht leek hij een democratisch voorzitter, die naar Engels voorbeeld een soort 'tutor system' invoerde. Spoedig openbaarde zich echter een aantal minder democratische trekken. Toen hij ten koste van alles een geldverslindend verbouwingsplan van de universiteit wilde doorvoeren, raakte hij in conflict met de andere bestuursleden en viel hij op door zijn aristocratische en onbuigzame houding jegens hen. Toen het duidelijk werd dat hij zijn zin niet kreeg, schroomde hij niet over de hoofden van zijn medebestuurders heen een beroep te doen op de steun van de oud-studenten. Hoewel Schulte Nordholt Wilson graag typeert als ' een democraat die niet kon werken in een democratisch systeem', wil hij geen vergelijking trekken tussen Wilsons presidentschap van Princeton en dat van de Verenigde Staten. Maar, in 1919, terug uit Europa en geconfronteerd met een Congres dat het resultaat van de vredesresultaten dreigde te torpederen, reisde Wilson ook door het land om het Amerikaanse volk voor zich te winnen en, net als in 1910, tevergeefs.

Wilsons nederlaag op Princeton betekende het einde van zijn academische loopbaan, maar in datzelfde jaar werd hij tot gouverneur van de staat New Jersey gekozen en in 1912 met succes genomineerd voor de Democratische kandidatuur voor het presidentschap. Dat de auteur niet uitlegt hoe Wilson van academicus in politicus veranderde, en weinig aandacht schenkt aan het gouverneurschap van New Jersey, is een - begrijpelijke - tekortkoming. De biograaf heeft haast. Hij wil zo snel mogelijk naar het moment dat de hoofdpersoon betrokken raakt bij de internationale politiek. Daar kan hij Wilson presenteren als de christelijke moralist, de vertegenwoordiger van een verlichte natie, die volgens Wilson het meest progressief in de wereld was.

Terwijl Wilson een aantal trekken bezat die doen denken aan die van het negentiende-eeuwse Amerikaanse materiele en geestelijke superioriteitsgevoel, bleek de moralist snel de vaardigheden te bezitten die nodig waren voor politieke overleving. Zijn kandidatuur voor de Democratische Partij verkreeg hij onder meer doordat hij zich van de steun wist te verzekeren van de politieke 'bosses'. Eenmaal genomineerd, schroomde hij niet hen aan de kant te zetten om zodoende de progressieven achter zich te kunnen scharen. De Republikeinen wist hij tenslotte te verslaan door handig gebruik te maken van de verdeeldheid binnen de partij, ontstaan doordat (oud-president) Theodore Roosevelt zich van hen had afgescheiden. Als president presenteerde hij zich als een ware 'liberal', voerde de nodige sociale hervormingen door, waaronder de 'Federal Reserve Act' en een anti-trustwetgeving, waarmee de financiele centra en de industrie aan de oostkust aan banden moesten worden gelegd. Schulte Nordholt besteedt relatief weinig aandacht aan de betekenis van Wilsons binnenlandse beleid.

Dat is jammer, want volgens sommigen was er in zijn presidentiele beleid een begin te zien van de staatsbemoeienis met het conflict tussen arbeid en kapitaal dat zo kenmerkend was voor de moderne Amerikaanse geschiedenis. Wilsons 'New Free-dom', zoals hij zijn regeringsprogramma noemde, wordt immers vaak in een adem genoemd met Roosevelts New Deal, Trumans Fair Deal, Kennedy's New Frontier en Johnsons Great Society.

BEMIDDELAAR

Centraal staat Wilsons streven Amerika uit het provinciaalse negentiende- eeuwse isolement te halen. Hij wilde Amerika een rol laten spelen in de internationale orde, maar het mocht zich niet bevuilen met de traditionele Europese machtsstrijd. Het unieke Amerika moest zuiver blijven. Net als de meeste Amerikanen was hij van mening dat de Europese naties werden bestuurd door regeringen die alleen maar uit waren op macht in plaats van op het welzijn van hun onderdanen. De Europese naties waren in zijn ogen aristocratisch en militaristisch. Het thema van de grote afstand tussen de goede volkeren en hun slechte heersers, 'een typisch romantisch-liberaal dogma van de negentiende eeuw', zou zijn denken over Europa blijven beheersen. Vandaar dat hij, toen de 'Grote Oorlog' uitbrak, zijn volk bezwoer neutraal te blijven. Amerika kon goed tussen de Europese naties bemiddelen omdat het een natie uit vele naties was; tegen zijn naaste medewerker verzuchtte hij dat hij niet kon toestaan dat zijn land, als laatste bolwerk van de beschaving, in de grote destructie betrokken zou worden.

De Duitse duikbotenpolitiek en het beroemde Zimmerman-telegram (waarin de Duitse regering de Mexicanen bewoog een oorlog tegen Amerika te ontketenen) maakte het voor Wilson onmogelijk neutraal te blijven, maar hij wilde alleen aan de oorlog deelnemen om een 'vrede zonder victorie' te kunnen afdwingen. De politieke oppositie, met Theodore Roosevelt als smaakmaker, vroeg zich toch wel af wat de zweverige president hiermee eigenlijk bedoelde. In tegenstelling tot de president had het Congres minder verheven ideeen over Amerika's internationale rol, en in eerste instantie was er een kolossale weerzin tegen de Amerikaanse bewapening. Analoog aan zijn gedrag op Princeton besloot hij over de hoofden van de Congresleden heen zich tot het volk om steun te richten en tijdens zijn toespraken hield hij zijn toehoorders voor dat hij ervan overtuigd was dat zij verkeerd vertegenwoordigd werden.

Met deze opvatting arriveerde hij in 1918 in het uitgeputte Europa waar hij als de Verlosser begroet werd. Toen de vredesonderhandelingen eenmaal van start gingen, bekommerde hij zich weinig meer om de publieke opinie in eigen land; meer en meer raakte de idealist gefixeerd op de onderhandelingen met de realisten Clemenceau en Lloyd George. De Europese toekomst dacht hij veilig te kunnen stellen door een Volkenbond in het leven te roepen en alle volkeren het recht op zelfbeschikking te geven. Wilsons angst voor het oprukkende bolsjewisme en de vrees dat zijn ideaal van de Volkenbond niet bewaarheid werd, leidden er uiteindelijk toe dat hij instemde met de grensverschuivingen die Europa en met de 'Diktat-Frieden' die Duitsland opgedrongen kreeg. Het nationalisme zou welig blijven tieren en dertig jaar later de volgende oorlog ontketenen.

Eenmaal terug in Amerika werd hij geconfronteerd met een vijandig Congres. De senatoren voelden zich genomen omdat zij in het verleden slechts incidenteel geraadpleegd waren, maar nu wel gevraagd werden de lidstaten van de Volkenbond bij te staan bij het bewaren van hun territoriale integriteit. De verontwaardiging bereikte haar hoogtepunt toen bekend werd dat Wilson de senatoren niet had geinformeerd over geheime afspraken tussen de Geallieerden over de verdeling van Europa. Gegriefd waren de senatoren dat de moralistische president hen niet over deze vulgaire machtspolitiek had ingelicht. Hun toorn werd nog meer aangewakkerd toen Wilson hen niets anders kon melden dan dat hij deze afspraken was vergeten. Schulte Nordholt weet met dit gegeven niet goed raad en suggereert zelfs dat hier misschien wel van een mooi voorbeeld van verdringing sprake is (blz 242)! De bewondering voor de hoofdpersoon verbloemt het gegeven dat Wilsons politieke conflicten voortvloeiden uit diens compromisloze houding en, naarmate het levensverhaal vordert, lijkt de waardering van de biograaf-dichter het van de historische analyse te winnen.

PEDANT

Het was overigens niet het vaak vermeende Amerikaanse isolationisme dat Wilsons Volkenbond en het resultaat van de vredesonderhandelingen (56 tegen-23 voor) torpedeerde. Wilsons toch wel pedante houding en zijn weigering de senatoren het idee te geven dat zij enigszins bij de besluitvorming betrokken waren, leidden ertoe dat de Amerikaanse kont tegen de Europese krib werd gegooid. Want bij de meeste Amerikanen bestond een weliswaar vage, maar toch ook wel stellige sympathie voor een Volkenbond. Bovendien beseften de leidende Republikeinse politici, degenen die nadien als isolationisten werden beschimpt, in 1919 heel goed dat hun geindustrialiseerde natie zich niet afzijdig kon houden van de inrichting van een evenwichtige internationale orde. Wilson wilde echter van geen compromis of voorbehoud weten en wederom ondernam hij, over de hoofden van de senatoren heen, een tournee door het land. ' De senatoren waren te klein voor hem, het volk, het grote Amerikaanse volk, zou hem begrijpen, en willen wat hij wilde, ' aldus Schulte Nordholt. Een attaque belette hem echter de onzinnige onderneming tot een einde te brengen, en de rest van zijn presidentschap bracht hij aan het bed gekluisterd door. Leeggezogen, uitgeput, en geisoleerd van de dagelijkse politiek, een bijna geincarneerd symbool van het toekomstige Amerikaans buitenlandse beleid, dat zich in de eerste jaren na 1919 weinig met Europa zou inlaten.

Volgens Schulte Nordholt verloor de negentiende-eeuwse Wilson, de idealist en moralist van het eerste uur, het van het twintigste-eeuwse realisme. Een terechte constatering, die echter dient te worden aangevuld met de opmerking dat de president weinig affiniteit bezat met de democratische procedures in zijn eigen land. Illustratief voor zijn opvatting over het presidentschap was dat hij gedurende zijn resterende ambtstermijn de bestuurlijke zaken aan zijn vrouw overliet en aftreden nimmer overwoog. Wellicht is het daarom beter te constateren dat Wilson te klein voor de senatoren was in plaats van omgekeerd. Ondanks deze kritiek is Schulte Nordholts bewondering voor zijn hoofdpersoon niet storend. De lezer wordt ruimschoots in staat gesteld andere, kritischer, gevolgtrekkingen te maken.

Woodrow Wilson. Een leven voor de wereldvrede door J. W. Schulte Nordholt 448 blz., geill., Meulenhoff 1990, f55,00 ISBN 9029099682

    • Hans Veldman