Winsten oliefondsen opgejaagd

De nieuwe prijsstijging deze week van ruwe olie (Brent) zal een verdere stimulans betekenen voor de winsten van de internationale oliemaatschappijen die door de Iraakse invasie in Koeweit al behoorlijk waren gestegen.

Hoe hoog de winsten zullen stijgen hangt voor een groot deel af van de vraag hoe lang de olieprijzen hoog blijven, maar de ontwrichting in de Golf-regio zal de grote bedrijven op verschillende manieren als winnaar achterlaten.

Er zijn drie factoren die bepalen hoe de winsten van de oliemaatschappijen op korte termijn zullen stijgen. De eerste is de locatie van de olievelden of die in gebieden liggen waar het marginale belastingtarief op olie die uit de grond wordt gepompt hoog of laag is; hoeveel raffinage- en afzetcapaciteit het bedrijf heeft in relatie met zijn olieproduktie; en in welke mate het bedrijf heeft geinvesteerd in de met problemen kampende petrochemische industrie.

Gebaseerd op de beursnotering in dollars, is Amerada Hess, het onafhankelijke Amerikaanse bedrijf, de aanvoerder van de kopgroep met een stijging van 11,7% in zijn aandelenkoers sinds de invasie.

Andere grote Amerikaanse bedrijven, Unocal, en Atlantic Richfield zijn respectievelijk 8,5 en 8 procent gestegen, op de voet gevolg door British Petroleum met een stijging van 7,6 procent.

Tot de middengroep behoren Mobil, met een stijging van 2,5 procent, en Shell Transport (Britse tak red.) en Texaco waarvan de aandelenkoersen nauwelijks zijn gestegen. Aan de staart bevinden zich Chevron met een 1,1 procent daling, Exxon 1,4 procent lager en Koninklijke Olie dat 3,7 procent is gezakt. Het Dow Jones gemiddelde van 30 toonaangevende Amerikaanse aandelen en de FT-SE 100 Index van de honderd belangrijkste Britse aandelen zijn in dezelfde periode meer dan 13 procent gezakt.

Effectenbeurzen worden over het algemeen sterker beinvloed door onmiddellijke factoren, zoals de olieprijs, dan door overwegingen van langere termijn zoals het feit dat het bedrijf heeft geinvesteerd in aardgas. Desondanks zijn de effectenbeurzen waarschijnlijk de beste maatstaf voor relatieve veranderingen in waarde.

In het algemeen is het zo dat hoe meer de winst voor een oliemaatschappij komt van de produktie van ruwe olie in tegenstelling tot raffinaderijen, distributie of petrochemie des te meer zullen de winsten op de korte termijn oplopen als gevolg van prijsstijgingen van ruwe olie.

BP ontleent 54 procent van zijn bedrijfswinst aan de produktie. Bovendien komt in de Verenigde Staten, waar BP de grootste producent is, het grootste deel van de produktie van velden in Alaska waar men te maken heeft met marginale belastingtarieven van slechts 34 procent. Geen andere belangrijke oliemaatschappij betrekt een zo groot gedeelte van zijn olieproduktie van velden die geconcentreerd zijn in een dergelijk laag belastingklimaat.

De ruwe-olieproduktie van Shell was voor 34 procent verantwoordelijk voor de bedrijfswinst in 1989 en omdat de velden geografisch meer verspreid liggen betekende dit een marginaal belastingtarief van 64 procent.

Amerada Hess, Arco en in mindere mate Unocal zijn de andere grote overwinnaars, omdat hun bedrijfswinst voor een groot deel afhankelijk is van de produktie of omdat zij groot zijn in Alaska.

Exxon, de Amerikaanse gigant, heeft zware belangen in Alaska, maar minder dan deze andere maatschappijen. Zijn aandelen weerspiegelen misschien niet de volledige invloed van de hogere olieprijzen hetgeen voor een deel terug te voeren is op de gevolgen van de donkere wolken van de Exxon Valdez ramp.

Voor de belangrijke maatschappijen zal ook van invloed zijn hoeveel aardgas zij produceren. Shell heeft meer dan BP diversificatie gezocht in gas, een koers die volgens specialisten op de lange termijn tot een gunstiger positie leidt. Maar de contracten in Europa zijn over het algemeen gebonden aan de olieprijs met een vertraging van zes maanden.

In de Verenigde Staten hebben de gasprijzen een aantal van die koppelingen met de olieprijs verloren. Als gevolg hiervan moesten de grote gasleveranciers Chevron en Amoco aanzien dat relatief grotere olieproducenten meer profiteerden van de prijzen van ruwe olie terwijl de vraag naar gas relatief is achtergebleven, zo meent Mr Dillard Spriggs, president van de in New York gevestigde Petroleum Analysis.

De tweede factor die verband houdt met de relatieve stijging van de winst wordt gevormd door raffinaderijen en distributie. Vroegere oliecrises hebben de winstmarges de winst op raffinage min de kosten van ruwe olie zwaar onder druk gezet.

Maar omdat de Iraakse invasie per dag ongeveer 750.000 vaten geraffineerde olieprodukten en ruwe olie aan de wereldmarkten onttrok, zijn de winstmarges van raffinaderijen sterk gestegen en naderen zij nu recordhoogten.

De raffineerders zouden nu God in Frankrijk moeten zijn. In tegenstelling tot deze gangbare opvatting zijn raffinaderijen niet in staat geweest om de volledige stijging door te voeren naar de benzinepompen. De verkoopwinsten worden gedrukt, aldus David Gray, analyticus bij effectenmakelaar James Capel.

De grote overwinnaars zijn maatschappijen die meer raffineren dan zij distribueren. Ultramar bij voorbeeld, raffineert ongeveer twee keer zoveel als hij afzet via de detailhandel en verkoopt het overschot aan de groothandel voor wereldmarktprijzen. Analytici vinden het moeilijk om vast te stellen of verhoogde raffinaderij-opbrengsten volledig zullen worden gecompenseerd door gedrukte verkoopwinsten; Mr Allen Murray, voorzitter van Mobil, denkt dat gecombineerde winsten zullen dalen.

Sommige raffineerders zullen het beter doen dan anderen. Aangezien de ruwe olie die de verloren gegane olie uit Koeweit vervangt waarschijnlijk zwaarder is waardoor er meer geavanceerde raffinage nodig is om er een bepaalde waarde van produkten uit te halen zullen oliemaatschappijen met meer van deze capaciteit beter uit zijn.

Chevron, de grootste raffinaderij van de Verenigde Staten is grotendeels aan de westkust gesitueerd waar de raffinaderijen al aangepast zijn aan het behandelen van zware ruwe olie uit Alaska.

Anderen die profiteren zijn Arco en Unocal, terwijl Amoco meer capaciteit heeft in het Midwesten van de Verenigde Staten, waar gewoonlijk lichtere ruwe olie wordt verwerkt, aldus Fiona Nical van effectenmakelaar Kleinwort Benson.

De petrochemische industrie werpt een schaduw op wat anders een rooskleurig beeld voor de oliemaatschappijen zou zijn. Hier worden alle bedrijfsleiders geconfronteerd met een verdubbeling van de prijs van hun belangrijkste grondstof, nafta, terwijl de overcapaciteit in de industrie betekent dat zij het moeilijk hebben om prijsverhogingen naar hun klanten door te berekenen.

Shell is het meest afhankelijk van de petrochemische industrie. Deze sector leverde 25 procent van de bedrijfsgroepwinst in 1989, vergeleken de 18 procent van BP.

De afname van de winst was gestopt tijdens de interimperiode van dit jaar voor de Golfcrisis, maar er kan nu een verdere daling van de verdiensten worden verwacht, aldus Mr Gray.

In de Verenigde Staten zijn Exxon, Amoco en Shell US het meest afhankelijk van de petrochemische industrie en zij worden allemaal verder getroffen door een achteruitgang in het uitgavenpatroon van de consument als gevolg van de geleidelijke economische teruggang.

Deze factoren veroorzaken een gemengd zij het positief beeld van de oliemaatschappijen.

De toegenomen waarde van de maatschappijen als gevolg van de Golfcrisis wordt bepaald door olie die nog in de grond zit. Dit zal meer worden weerspiegeld in bezit dan in onmiddellijke verbeteringen van de winsten.

Het is onwaarschijnlijk dat oliemaatschappijen zullen proberen nieuwe produktie op gang te brengen voordat zij er meer zekerheid over hebben dat de hogere prijsniveau's zullen doorzetten, een veronderstelling die moeilijk hard te maken is terwijl er zoveel onzekerheden blijven bestaan in de Golf.

Financial Times

    • Richard Gourlay