WILLEN LEREN WINNEN

De term 'mentaliteit' staat in de sport hoog aangeschreven. In het dagelijkse leven wordt dit begrip veelal begeleid door een bijvoeglijk naamwoord (zachtmoedige, onbuigzame, gluiperige...) ter nadere informatie. De sportwereld kiest voor onafhankelijk gebruik. ' De mentaliteit was er vandaag niet, ' zegt de sporter, en de nederlaag is verklaard.

Is de nederlaag dan werkelijk verklaard? In hun boekje Blitz-mentaliteit voor sportprestaties zeggen Peter Blitz en Jan Huijbers: ' De mentaliteit is een nogal mistig begrip en het gegeven dat wij allemaal wel denken zo ongeveer te begrijpen wat ermee wordt bedoeld, maakt het niet helderder.'

Mentaliteit duidt in de sport op een vaag samenstel van geestelijke verworvenheden: concentratievermogen, evenwichtigheid, zelfvertrouwen, stressbestendigheid en weerbaarheid, om er een aantal te noemen. Sportbeoefening zou die kwaliteiten per definitie stimuleren. Afzien, verliezen in gewonnen positie, blessureleed, falen door overconcentratie, winnen uit verloren positie, afgestraft worden bij verflauwende aandacht, een favoriete rol niet waarmaken en de bittere spijt na het voortijdig uit een wedstrijd stappen, het zijn ervaringen die de mentaliteit vervolmaken.

Positieve wedstrijdervaringen dragen in de bovenstaande benadering niet zoveel bij aan de mentaliteit. Met schade en schande wordt men wijs, is ook nu nog hier het credo. Wel reikt de psychologie tegenwoordig methoden aan om de sportmentaliteit sneller, want doelbewust, te ontwikkelen. ' Het resultaat van een sportprestatie wordt voor een groot deel bepaald door mentale factoren, ' aldus een advertentietekst voor een cursus mentale training voor sporters. ' Motivatie, concentratie, zelfvertrouwen en wedstrijdspanning zijn factoren welke door de sporter en de trainer/coach gericht zijn te beinvloeden en te trainen.'

(Sport)psycholoog Peter Blitz is een geroutineerde deskundige op het terrein dat meestal wordt aangeduid met 'mentale training'. Het werkterrein bestaat uit uitlopende zaken als: het aanreiken van relaxatietechnieken die de spanning reguleren voor de wedstrijd en van pas komen op momenten van rust binnen een wedstrijd; het leren richten van de aandacht waardoor de atleet in de wedstrijd zijn concentratie behoudt; vertrouwd maken met visualisatietechnieken waarmee de sporter een bepaalde beweging traint door zich de lichaamsactie te 'verbeelden'; het in hypnosetoestand atleten wapenen tegen ongewenste geestestoestanden als faalangst. ' Mentale training is uiteindelijk altijd gericht op concreet gedrag, ' zegt hij in zijn boek. '.

fs als het gaat om de zogenaamde mentaliteit of om het grote mysterie dat zich 'tussen de oren' pleegt af te spelen.'

Het nut van mentale training in de sport is nog niet zolang geleden onderkend. Van de achtendertig boektitels waarover de Nationale Sportbibliotheek in Den Haag beschikt die (geheel of gedeeltelijk) dit thema behandelen, werd de oudste uitgegeven in 1978. Alhoewel die bibliotheek zich op dit terrein niet op volledigheid kan laten voorstaan zo ontbrak in hun opgave het indertijd baanbrekende Problem athletes and how to handle them van de Amerikanen Tutko en Ogilvie uit 1966 - is het overzicht redelijk representatief. Tien van de titels stammen uit Nederland, een Nederlandstalige uit Belgie. Zeven van de andere werken zijn vertaald in het Nederlands. Op dat totaal van achttien titels zijn er veertien in 1985 of later op de markt gebracht. Voor het algemene totaal van achtendertig geldt dat er slechts twaalf voor 1985 het licht zagen.

'PATIENT ZIJN'

Het is duidelijk dat de aandacht voor mentale training in de sport de laatste vijf jaar een grote vlucht heeft genomen. Het wil bepaald niet zeggen dat sporters en trainers in grote aantallen de ondersteuning van professionele psychologen accepteren. De belangrijkste rem bij de sporters is de angst als een patient, of toch tenminste als een weinig zelfstandige persoonlijkheid te worden beschouwd. Bij de coaches speelt de vrees een deel van de verantwoordelijkheid voor de pupil(len) uit handen te geven. Beide groepen hebben hun wantrouwen in zoverre overwonnen dat zij bereid zijn kennis te nemen van de boodschap van de mentale begeleiders.

In hun ijver de sporter en trainer/coach tot aankoop van een publikatie te verleiden, wordt vaak meer beloofd dan kan worden waargemaakt. Zo kreeg het in het Nederlands vertaalde Best nar det gjelder van de Noorse psycholoog Willi Railo, de titel mee: Wie wil kan winnen (in 1986 uitgekomen bij de Stichting Sportevenementen Nederland). De Engelse vertaling houdt het op Willing to win. In welke titel de bedoeling van de auteur het best tot uitdrukking is gebracht, onttrekt zich aan mijn waarnemingsvermogen. Gezien de nuchtere toon in het boek dat veel praktische adviezen bevat, houd ik het op de Engelse versie.

Mentale training; over zelfcontrole in de sport van de psycholoog en leraar lichamelijke opvoeding Fred Lindauer lijkt vooral te zijn geschreven vanuit de behoefte de professionele psychologische begeleiding in de sport te stimuleren. Toch valt te vrezen dat het boek juist een averechts effect zal hebben. Ondanks de algemene titel van zijn boek heeft Lindauer het permanent over situaties in het voetbal. Op de achterflap wordt vermeld dat hij veel heeft gepubliceerd in het vakblad De Voetbaltrainer , dus opmerkelijk is zijn voorkeur niet. Onderaan op pagina 71 begint de auteur een alinea met: ' Een van de moeilijkste zaken bij teamsporten ... ' om zeven regels verder plotseling te spreken van 'het hele elftal'. Zo'n slordigheid doet vermoeden dat hij zijn voetbalervaringen in dit boekje geldig probeert te verklaren voor alle teamsporten.

Enig inzicht in de verschillen binnen dat omvangrijke scala van teamsporten in tijdsduur, vervangingsmogelijkheden van spelers binnen de wedstrijd, taakverdelingen, samenwerkingsverbanden, blessurerisico's en begeleidingsmogelijkheden in de wedstrijd zou toch tot de conclusie moeten leiden dat de mentale belasting sterk variabel is. Maar voor deze auteur is er kennelijk maar een vorm van mentale training, of je nu profs of amateurs, jonge of oude sporters, voor, tijdens of na de wedstrijd begeleidt. Zelfs gaat hij de suggestie niet uit de weg dat zijn voetbaltheorieen zonder meer toepasbaar zijn op de individuele spor-ter.

Lindauer begaat bovendien de vergissing veel ruimte in zijn werkje te besteden aan psychologische theorieen. Het is een fout die velen maken die even denken in te spelen op de trend van de laatste jaren. De op de praktijk gerichte doelgroep heeft er geen behoefte aan. De coach en/of sporter leest over dit onderwerp vanuit gedachten als: ' Dit is me in negatieve zin overkomen, wat moet ik doen om deze ontwikkeling de volgende keer te vermijden.' Zeker in zijn sportbeoefening mag de mens niet worden beschouwd als een serieprodukt. Dat maakt al die algemene theorieen in Mentale training zo nutteloos. Dit boek draagt bij aan de vooroordelen van de coach over mentale begeleiding.

HYPERVENTILATIE

' Er is niemand die je met stelligheid kan verzekeren wat je moet doen om op het ereschavot te komen. Er worden boeken over geschreven, heel wijze en heel dwaze, verschrikkelijk moeilijke en belachelijke. Er wordt over vergaderd, in het geheim en in het openbaar. Er wordt gebeden en gezegend. Er wordt betast - haptonomie heet dat met een wijs woord - en er wordt mentaal begeleid.'

Met zo'n zin lokken Ronald Pino en Karel Gietelink de beoordeling uit of er hier sprake is van een wijs, dwaas, verschrikkelijk moeilijk of belachelijk boek. Mijn conclusie luidt dat alle vier die kwalificaties bij tijd en wijle van toepassing zijn op Coachen met succes; over de praktijk en de psychologie van de begeleiding van sporters. In elk geval de hier geciteerde zin hoort thuis in de door de auteurs aangereikte categorie 'dwaas'. Want natuurlijk kan iedereen ' met stelligheid verzekeren wat je moet doen om op het ereschavot te komen'. Iedere sporter van wie de prestaties de aandacht beginnen te trekken, stuit op types die succesformules aanreiken. Dat die beweringen nergens op slaan, is iets anders. Waarschijnlijk bedoelen de auteurs: ' Geen coach kan je vertellen wat je moet doen om op het ereschavot te komen.' Zonder het bestaan van het doeltreffende woord vlak voor (of zelfs tijdens) een finale uit te sluiten, geloof ook ik niet dat die inbreng vaak en veel bijdraagt aan succes. De sterke persoonlijkheden die tot de finale doordringen, zullen niet zo gevoelig zijn voor een 'toverformule'.

De uitvoerige aandacht voor deze ene zin hangt samen met mijn overtuiging dat hij uitermate representatief is voor het hele boek. De goede bedoelingen van de auteurs zijn boven alle twijfel verheven, maar helaas zien zij niet altijd kans hun visie helder te verwoorden. Op de plaatsen waar Pino en Gietelink zich wel helder uitdrukken, maken ze zich in een moeite door nogal eens schuldig aan absolutisme. ' Corrigeer nooit een teamlid in aanwezigheid van andere teamleden. Nooit', beweren ze op pagina 28. De ruimte ontbreekt me, maar ik kan zo drie situaties verzinnen waarin het tegendeel voor alle betrokkenen aanbeveling verdient of zelfs onontkoombaar is.

Pino en Gietelink zijn liefhebbers van anekdotes waarin het succes duidelijk valt toe te schrijven aan het juiste woord of gebaar van de coach op het ideale moment en/of de perfecte plaats. Veel van hun anekdotes maken een verzonnen indruk, maar ook dat heeft wellicht te maken met ontoereikend taalgebruik. Op pagina 56 van het boek krijgen we het volgende voorbeeld voorgeschoteld: ' Tijdens een badmintonwedstrijd kreeg een der deelnemers een aanval van hyperventilatie. De coach: 'Luister, er is genoeg lucht voor ons allen om te ademen, als jij nu maar niet probeert de hele sportzaal leeg te zuigen.' De lachbui, in eerste instantie van alleen de omstanders, leidde een definitieve genezing in.'

Is die positieve ontwikkeling onmogelijk? Nee, net zo min als het tegendeel. Waarmee maar gezegd wil zijn dat ik er niet aan moet denken dat een leergierige coach een tekst als deze uit het hoofd leert en in het voorkomende geval blindelings uitkraamt. 'Ad rem' reageren uit een boekje valt in de door de auteurs ingestelde categorie 'belachelijk'.

De beide boeken die hierboven terloops ter sprake kwamen (Wie wil kan winnen van de Noor Railo en Blitz-training voor sportprestaties door Blitz en Huijbers) kunnen bijdragen aan de mentale kwaliteit van sportbeoefenaren op alle mogelijke niveaus. Want ook gelegenheidsvolleyballers, cafeschakers of vakantiezwemmers kunnen meer plezier beleven aan hun lichamelijke activiteiten. Dan praten we nadrukkelijk niet over winnen en verliezen. Als men voorzien is van enige kennis over bijvoorbeeld het hanteren van concentratievermogen en het bewaren van de onverstoorbaarheid in spannende situaties, zal het genoegen in de sportieve bezigheid stijgen.

Mentale training laat zich toepassen op meer activiteiten dan sport alleen. Het is geen toeval dat Blitz-training voor sportprestaties een deeltje is uit een serie van zes. Vanuit dezelfde naamgrap wordt geestelijke voorbereiding aangeboden ten aanzien van: het rijexamen, het overwinnen van vliegangst, het hanteren van stress, een met succes bekroond examen en optreden in het openbaar.

Zowel Railo als Blitz hield zich al in de jaren zeventig bezig met sportpsychologie. Beiden hebben zij uitvoerig gepubliceerd over het onderwerp. Hun hier aan de orde gestelde boeken maken allereerst duidelijk dat zij volledig beseffen wat de rol moet zijn van de psycholoog in de sport: de figuur op de achtergrond die praktische adviezen aanreikt. Beide werken staan vol zinnige gedragsvoorbeelden. Fraai opgeschreven is het allemaal niet. Bij Railo kan dat nog liggen aan de Nederlandse vertaling, de Engelse versie oogt vloeiender. In het boek van Blitz en Huijbers treedt hier en daar een literaire pretentie naar buiten die tot onduidelijkheid leidt.

    • het Spectrum 1990
    • Jan Huijbers 192 Blz
    • over Zelfcontrole in de S