VORSTEN DIE ITALIE NIET VERDIENDE

Vroeger bracht zijn vader hem, als het mooi weer was, vaak naar de grens. Samen keken ze dan vanaf de Zwitserse bergen naar Italie, het land van hun dromen, het land van hun voorvaderen. Maar ook: het verboden land. Net als zijn vader mag Emanuele Filiberto het land niet in. Op 22 juni is hij achttien jaar geworden, en is hij waarschijnlijk de enige Italiaan die staat te springen om zijn dienstpicht te kunnen vervullen. Dringende verzoeken daartoe zijn afgewezen. Niet omdat hij fysiek of geestelijk niet geschikt zou zijn, maar omdat hij de verkeerde achternaam heeft: Di Savoia.

Nog steeds geldt voor de mannelijke nazaten van de voormalige koningen van Italie een verbod om het land te betreden. De nieuwe grondwet die na de Tweede wereldoorlog werd geschreven, verbood het 'de ex-koningen van het Huis Savoy, hun consorten en hun mannelijke afstammelingen' om terug te keren. De herinnering aan de monarchie was te bitter, de angst voor intriges, voor manipulatie van de royalistische gevoelens in het zuiden te groot. Italie had in juni 1946 immers maar met een verschil van twee miljoen stemmen voor een republiek gekozen, en hoewel koning Vittorio Emanuele III gedwongen was af te treden wegens zijn associatie met het fascistische regime, waren er in de onzekere jaren direct na de oorlog belangrijke stromingen, zoals de katholieke kerk en een deel van de christen-democraten, die de monarchistische kaart zouden kunnen spelen om het rode gevaar in te dammen.

Het verbod was in de grondwet opgenomen als de dertiende overgangsbepaling, maar is nooit ongedaan gemaakt. Umberto II, de meikoning die de kroon maar een maand heeft gedragen, heeft tot aan zijn dood in 1983 nooit zijn aanspraken op de troon willen intrekken. Ook zijn zoon Vittorio Emanuele IV, die in plaats van Portugal het dichterbij gelegen Zwitserland als ballingsoord koos, heeft de hoop niet helemaal opgegeven. In een brief vorig jaar aan president Cossiga, waarin hij toestemming vroeg voor zijn zoon om in Italie te mogen studeren, schreef hij dat hij de Italiaanse republiek erkende als een 'onomkeerbare realiteit', maar toen de Italiaanse pers meteen daarna naar Gstaad snelde om te vragen of hij nu formeel afstand deed van zijn aanspraken, bleek dat niet het geval.

Erg druk maakt Italie zich er niet over. De leden van de voormalige koninklijke familie worden eerder beschouwd als curiositeiten, en er zijn steeds meer mensen die zeggen dat het na drieenveertig jaar tijd wordt de overgangsbepaling van de grondwet in te trekken. Een parlementaire commissie heeft de eerste stap hiervoor gezet, het begin van een lang en gecompliceerd proces.

Daarnaast wordt er al een paar maanden gesproken over de terugkeer in Italie van de stoffelijke resten van Vittorio Emanuele III, zijn vrouw Helena en zijn zoon Umberto II. Deze zijn nu op verschillende plaatsen buiten Italie begraven. Juridische problemen hiervoor zijn er niet, maar de strijdvraag is waar de drie begraven zouden moeten worden. Premier Andreotti heeft in februari de mogelijkheid van het Pantheon in Rome geopperd, waar ook Vittorio Emanuele II en Umberto I begraven liggen. Maar daar is fel verzet tegen. Terugkeer akkoord, voor verzet daartegen is het koningshuis al teveel geschiedenis geworden. Maar dan niet meer dan een begrafenis in de kathedraal van Turijn, waar het huis van Savoy negen eeuwen lang heeft geregeerd voordat het het Italiaanse koningshuis werd. Voor een begrafenis in het Pantheon heeft met name Vittorio Emanuele III teveel zwarte bladzijden in de geschiedenis van Italie geschreven. In een motie die alleen met de stem van de neo-fascistische MSI tegen werd aangenomen, wees de gemeenteraad van Rome er nog eens op dat het Pantheon ' het karakter (heeft) van een mausoleum van illustere mannen die het vaderland goed hebben gediend'.

EIGENBELANG

Dat zoiets van 'Sabeltje', zoals de kleine koning met zijn grote sabel werd genoemd, niet kan worden gezegd, bestrijden maar weinigen. Maar volgens de Britse historicus Denis Mack Smith zou er met het criterium van de Romeinse gemeenteraad geen enkele koning in het Pantheon begraven mogen liggen. Uit zijn boek Italy and its Monarchy komt een dynastie te voorschijn van besluiteloze, vaak ongeinteresseerde en vaak incompetente vorsten, die altijd het belang van hun eigen vorstenhuis voor dat van het land lieten gaan.

De Italiaanse vertaling van het boek is al weken een bestseller, ondanks de hoge prijs van vijftigduizend lire (bijna tachtig gulden). Het is de eerste keer dat de Italiaanse geschiedenis vanaf de eenwording tot aan het einde van de Tweede wereldoorlog wordt beschreven met het koningshuis als centrale leidraad. Met een schat aan details laat Denis Mack Smith zien dat dat ook de voorgangers van Vittorio Emanuele III hun land weinig goeds hebben gebracht.

Volgens de meeste Italiaanse historici hebben de koningen een achtergrondrol gespeeld. Mack Smith, die voor zijn boek niet kon beschikken over de archieven van het huis van Savoy maar prachtig materiaal heeft gevonden in de Britse diplomatieke archieven, laat zien dat de werkelijkheid vaak anders was. Het Piemontese statuto uit 1848, overgenomen door Italie als de staatsrechtelijke basis voor het koningschap, was een conservatief document. Zo kon de koning op eigen initiatief oorlog verklaren en verdragen sluiten, en hoefde hij het parlement daarover niet te informeren als dit geen financiele verplichtingen met zich bracht.

Koning Vittorio Emanuele II stuurde persoonlijke gezanten naar Parijs, Berlijn en Londen en doorkruiste met zijn parallelle diplomatie vaak die van de regering. Roem door oorlog, het liefst tegen Oostenrijk, was zijn grote droom. Leger en marine consumeerden de helft van het overheidsbudget, en de koninklijke gezanten stuurden aan op oorlog terwijl de officiele ambassadeurs vredelievende geluiden lieten horen.

Het oordeel in 1867 van Lord Clarendon, de Britse minister van buitenlandse zaken, was vernietigend: ' Er bestaat universele overeenstemming dat Vittorio Emanuele een imbeciel is. Hij is een oneerlijke man die iedereen leugens vertelt. Als hij zo doorgaat zal hij zijn kroon verliezen en zowel Italie als zijn dynastie ruineren.'

ROKKENJAGER

Die rol zou voorbehouden blijven aan zijn kleinzoon. De koning van de Italiaanse eenheid, in Rome geeerd met het meest gehate monument van de stad, was in werkelijkheid helemaal niet zo enthousiast voor Italia. Hij sprak liever Frans dan Italiaans en had een hekel aan Florence en Rome, om niet te spreken van het gebied ten zuiden daarvan. Van zijn reputatie als de re galantuomo, de koning-gentleman, laat Mack Smith weinig heel. Vittorio Emanuele II (de tweede om te laten zien dat het onafhankelijke Italie voortkomt uit het onafhankelijke Piemonte) was een rokkenjager, die weinig beschaving toonde en die smeet met overheidsgeld. Hij ging liever op jacht dan dat hij deelnam aan officiele ontvangsten, en als hij geen verstek kon laten gaan liet hij zijn verveling duidelijk merken.

Het oordeel over het bewind van zijn zoon Umberto I is nog harder: 'Een teleurstelling, een ramp zelfs.' Umberto bracht de monarchie ernstig in diskrediet door niets te doen tegen een groot bankschandaal, door de autoritaire premier Crispi zijn gang te laten gaan, door onverschillig te blijven tegenover het niet-functioneren van het parlement. Umberto de Goede, zo werd hij genoemd. Het was een eufemisme voor een kleurloze man zonder veel interesses buiten het beheer van het familiefortuin en zijn minnaressen, die zijn vrouw zelfs dwong om zijn minnares als gezelschapsdame aan te nemen. In juli 1900 werd Umberto in Monza vermoord door de anarchist Gaetano Bresci, als het symbool van een repressieve samenleving.

Met Vittorio Emanuele leek een keerpunt te zijn aangebroken. Hier stond een intelligente, zij het cynische monarch die begon als een model-koning en naar het parlement luisterde. Maar het was juist Vittorio Emanuele III die met zijn drieenveertigjarige bewind de val van de monarchie veroorzaakte. Het eerste onmiskenbare signaal van zijn gebrek aan leiderschap op momenten dat dat nodig was, kwam in 1915, toen Italie een week lang bondgenoot was van beide strijdende partijen. Drie keer daarna faalde hij op beslissende momenten: in 1922, toen hij Mussolini had kunnen tegenhouden en de mars op Rome had kunnen breken; in 1940, toen hij Mussolini's oorlogsplannen steunde hoewel hij wist dat een grote meerderheid van de Italianen tegen oorlog was; en in 1943, toen hij de val van Mussolini en de afbraak van het fascisme had kunnen versnellen. Na lang aarzelen installeerde hij de regering-Badoglio, voor de vlucht van de koning uit Rome, zonder een poging te doen de nieuwe Amerikaanse geallieerden te helpen en het leger en het grootste deel van het land aan zijn lot overlatend, is een van de zwartste bladzijden uit de geschiedenis van welke monarchie dan ook.

Mack Smith heeft na zijn eerdere boeken over Cavour, Mussolini en over de jongste Italiaanse geschiedenis het verwijt gekregen dat hij te kritisch is, dat hij een zure Engelse professor zou zijn met een hoop vooroordelen. De beste weerlegging daarvan is zijn beschrijving van de Italiaanse avonturen in Afrika, en vooral de nederlaag bij Adowa. De legerleiding legde de schuld voor de enorme nederlaag, waarbij op een dag meer Italianen sneuvelden dan tijdens de hele onafhankelijkheidsoorlog, bij de soldaten. Mack Smith schrijft hierover: ' Hetzelfde excuus was gegeven in 1866, en zou opnieuw worden gegeven in 1917 en 1943: in alle gevallen bedekte de bevelvoerende generaal zijn eigen vergissingen door de legende te scheppen dat zijn manschappen weigerden te vechten. Een andere mening werd gegeven door de Britse militaire attache in 1896 die vanuit Eritrea rapporteerde dat, terwijl de Italiaanse soldaten tot het beste gevechtsmateriaal behoren dat er in Europa te vinden is, hun commandanten in vrijwel ieder opzicht fout zaten en tijdens het gevecht hun manschappen eenvoudig aan hun lot hadden overgelaten.' Generaals of koningen, de conclusie is dezelfde: Italie heeft niet de leiders gekregen die het verdient.

Prins Vittorio Emanuele IV

FOTO SYGMA

    • Yale University Press 1989