OUD GRONINGEN

Je zit op een terras en staart loom naar de gevels tegen over je. Plotseling besef je dat die gevels veel ouder zijn dan jij. Je probeert die kunststoffacade van de drogist weg te denken. Maar de zeventiende-eeuwse trapgevel die dan tevoorschijn komt, was dat niet ook ooit een modieuze vernieuwing? Wat was er daarvoor? Stond hier ooit een hutje? En wie woonden in dat hutje? Stond het in het bos of op de heide? En wat was er voor het hutje?

Het zou het allerleukste zijn om in de tijdmachine te stappen en het antwoord op deze vragen met eigen ogen te aanschouwen. Maar voor terrasgangers in Groningen is er nu een aardig alternatief: het boekwerk dat ter gelegenheid van het negenhonderdvijftigjarig bestaan van Groningen werd uitgegeven. Groningen 1040 is een verzameling artikelen van wetenschappers uit verschillende disciplines: archeologen, pre-, kunst- en gewone historici en een bodemkundige. Samen geven zij voor een breed publiek inzicht in de kennis die beschikbaar is over het ontstaan en de vroegste ontwikkeling van de stad Groningen.

De vraag waarom Groningen ligt waar het ligt, wordt in het eerste artikel beantwoord. De stad ligt namelijk op het noordelijkste eindpunt van de Hondsrug, een heuvelrug die zich vanaf het zuidoosten van Drenthe boven het landschap verheft. Het keileem (dat zo heet wegens de zwerfstenen die erin worden aangetroffen) waaruit de Hondsrug is opgebouwd, is aangevoerd tijdens de ijstijden. In de prehistorie stak de Hondsrug ver boven zijn omgeving uit, maar dat is nu niet meer zichtbaar doordat de dalen van de riviertjes de Hunze en de Drentse A, aan weerszijde van de Hondsrug, met dikke lagen veen en klei zijn opgevuld.

De ligging van de nederzetting Groningen had verschillende voordelen. Aan drie kanten omringd door water of drassige grond was het uitstekend verdedigbaar. Bovendien lag het op de grens van water- en landwegen (de Hondsrug was eeuwenlang de hoofdverbinding met het Zuiden) en op een grensgebied van verschillende grondsoorten: zand/leem, klei en veen die elk verschillende grondstoffen en landbouwprodukten leverden.

De auteurs zijn het erover eens dat Groningen in oorsprong een Drents dorp was. J. W. Boersma zegt zelfs dat ' Groningen met recht en reden het meest geslaagde Drentse dorp genoemd mag worden'. Het is namelijk het enige Drentse dorp dat al in de middeleeuwen uitgroeide tot een stad.

Het is ondoenlijk in dit bestek alle artikelen te bespreken. Zeldzaam voor een bundel van zoveel verschillende auteurs is de mate waarin de afzonderlijke artikelen elkaar aanvullen, zodat met recht van hoofdstukken gesproken kan worden. Het besluit wordt gevormd door de resultaten van de opgravingen die in 1987 en 1989 aan de voet van de Martinitoren werden uitgevoerd. De lezer heeft dan al zoveel kennis over de geschiedenis van het oude Groningen vergaard, dat de vrij technisch beschreven vondsten uit zeer uiteenlopende perioden veelzeggend zijn geworden.

Groningen 1040. Archeologie en oudste geschiedenis van de stad Groningen door J. W. Boersma e.a. (red.) 311 blz., Profiel Bedum 1990, f49,75 ISBN 9052940037

    • Miriam Krekel