KOOPVAARDIJ IN WO II

Vier jaar geleden verscheen het omvangrijke tweedelige werk over de lotgevallen van de Nederlandse koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog, waaraan de inmiddels hoogbejaarde historicus Bezemer een groot deel van zijn leven had gewerkt, namelijk vanaf zijn pensionering bij de Rijksuniversiteit Utrecht in 1964.

Van de ongeveer 850 vracht- en passagiersschepen, tankers, coasters en zeesleepboten die in mei 1940 buitengaats waren of ontkwamen, keerde bijna de helft nimmer terug; het allergrootste deel ervan werd door oorlogshandelingen naar de kelder geholpen. Hierbij zijn veel mensen omgekomen, zo'n vijfde deel van de circa 18.500 opvarenden van Nederlandse, Indonesische, Chinese of andere komaf. Voor hen heeft Bezemer een monument in boekvorm opgericht.

Op trefzekere wijze werd in dit werk verslag gedaan van de gevolgen van menige bom- en torpedo-inslag. Niet de schepen met hun voorgeschiedenis maar de opvarenden stonden hierbij centraal. Daardoor is het een allesbehalve droge opsomming van trieste gebeurtenissen geworden. Daarnaast zijn ook alle de koopvaardij rakende zaken uitvoerig belicht, van politiek-beleidsmatige kwesties tot arbeidsvoorwaarden.

Dit inmiddels tweemaal herdrukte werk is nu aangevuld met een Supplement. Dit is samengesteld op basis van gegevens die betrokkenen bij enkele niet beschreven scheepsrampen aan de auteur hebben gemeld. Tevens is de gelegenheid te baat genomen om fouten en onnauwkeurigheden in de tekst van de eerste druk met name bij de illustraties te rectificeren. Jammer genoeg heeft de uitgever de kans laten schieten ook een lijst van geraadpleegde archieven en personen op te nemen. Plaats genoeg: het Supplement eindigt nu nogal onnozel met zeven witte bladzijden. En het goed geschreven werk zou voor niet-zeevarenden nog leesbaarder zijn geworden als erin een verklarend woordenlijstje met nautische termen was opgenomen. Dit gemis doet zich bijvoorbeeld voelen als over de reddingboten van het ms Madoera wordt gemeld: ' Na het verbranden van de talies hingen zij nog slechts aan de davits gesjord door stalen broekings, die met een sliphaak bevestigd waren.'

De kracht van het boek schuilt in het belang dat de auteur hecht aan de persoonlijke ervaringen van de opvarenden van de beschreven boten, zoals die meegedeeld zijn aan scheepvaartautoriteiten meteen na de ramp of later aan de auteur. Maar met mondelinge documentatie kun je als historicus gemakkelijk het schip ingaan doordat mensen een zelfde in dit geval schokkende gebeurtenis anders kunnen beleven; bovendien kan de herinnering in de loop der tijd worden vervormd. Hoe iemand zich zo'n gebeurtenis herinnert, kan ook beinvloed worden door de plaats die hij innam in de hierarchische organisatie van het schip. Zo wordt in het Supplement het verhaal verteld van de Japanse luchtaanval op de tanker Aldegonda in de Straat van Malakka op 28 december 1941. Met veel moeite wist de bemanning toen het schip en daarmee zichzelf te redden door de door een bominslag veroorzaakte brand te blussen. De kapitein speelde daarbij de hoofdrol, tenminste, dat schreef hij in zijn verslag onmiddellijk na de ramp en vertelde hij onlangs uitvoeriger aan de auteur. De toenmalige derde stuurman inmiddels kapitein in ruste op Schiermonnikoog kon dit bevestigen. In het orgaan van de Nederlandse Vereniging Onze Vloot, Zeewezen, van november vorig jaar geeft de toenmalige tweede machinist echter een andere versie van deze gebeurtenis, waarin niet de kapitein maar hijzelf als initiatiefnemer van de bluspogingen naar voren komt. Diens verhaal werd opgetekend door marinehistoricus L. L. von Munching, die al decennialang in hetzelfde geschiedkundige vaarwater koerst als Bezemer, hetgeen al tot menige aanvaring heeft geleid.

Met dit Supplement heeft Bezemer een mooie afsluiting gemaakt van zijn standaardwerk over de koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog. De Aldegonda laat echter zien dat het laatste woord over dit onderwerp nog niet is gesproken.

    • Agon 1990
    • Dl. 3
    • Supplement Door K. W. L. Bezemer 123 Blz