Indonesie: communisme blijft 'gevaar voor de orde'

JAKARTA, 29 sept. 'Het communisme mag op instorten staan, dood is het nog niet'. Generaal Try Sutrisno, de chef-staf van de Indonesische strijdkrachten (ABRI), beschouwt de communistische ideologie na 25 jaar nog steeds als een gevaar voor de gevestigde orde. Morgen gaan in heel Indonesie de vlaggen halfstok ter herdenking van de zes generaals die op 30 september 1965 het leven lieten bij een couppoging van linkse kolonels.

Een dag later, op 1 oktober, wapperen ze bovenaan de vlaggemast, want dan viert Indonesie de Dag van de Pancasila, de staatsideologie van Soeharto's Nieuwe Orde. Die werd gevestigd na een bloedige afrekening met de Partai Komunis Indonesia (PKI), maar de orde wordt volgens Try nog steeds bedreigd door het Rode Gevaar.

Onlangs verdedigde Marcel Beding, een parlementslid voor de Democratische Partij (PDI), de stelling dat een communistische ideologie op zijn retour geen serieuze bedreiging meer vormt voor Indonesie. Een veel groter gevaar school zijns inziens in de groeiende sociale kloof tussen arm en rijk. Chef-staf Try Sutrisno bestreed dit.

Hij noemde het communisme een 'bedreiging van de eerste orde', samen met alle ideologieen die 'niet goed zijn voor het Indonesische volk', met inbegrip van het liberale ideeengoed van het Westen. 'Inderdaad', erkende Try, 'het communisme valt uiteen, maar het is nog niet dood'. En hij verwees naar China, Vietnam en Noord-Korea.

In de buitenlandse politiek van Indonesie speelt de waakzaamheid tegenover het communisme echter nauwelijks meer een rol. Vorig jaar september bracht president Soeharto een officieel bezoek aan Moskou om met Gorbatsjov te praten over intensivering van de handelscontacten. De Vietnamese vice-premier generaal Giap, de grote militaire strateeg tijdens de Vietnam-oorlog, werd in juli onthaald door zijn Indonesische collega, minister van defensie Benny Moerdani, met wie hij regionale veiligheidsproblemen besprak. Op 8 augustus, ten slotte, zetten Peking en Jakarta een punt achter hun eigen Koude Oorlog: ze herstelden de diplomatieke betrekkingen die Soeharto in 1967 had verbroken.

Geen ontspanning

In de binnenlandse politiek van Indonesie ontstaan weliswaar openingen, maar van een echte 'ontspanning' is nog geen sprake. Daarvoor zijn de anti-communistische reflexen nog te sterk, zowel in de kazernes van de ABRI als in de kampongs en desa's. In dit land, dat ooit de op een na grootste communistische partij van Azie herbergde, heeft de communistenhaat diepe wortels, vooral in vrome islamitische kringen en op het platteland.

Het bloedblad onder echte en vermeende leden van de PKI, dat kort na de couppoging van 30 september '65 begon en tot diep in 1966 doorging, werd weliswaar bekwaam geregisseerd door plaatselijke ABRI-commandanten, maar was geen louter militaire operatie. Vooral op Java was het ook een uitbarsting van razernij onder moslimstudenten en kleine boeren. De communisten, zo lieten legerwoordvoerders niet na te onderstrepen, vreesden God noch gebod, en dreigden zich te vergrijpen aan de kleine eigendommen. Zij waren durhaka (doerak), een in Indonesische ogen vernietigende aanduiding voor een ieder die in opstand komt tegen het goddelijk, wettig of ouderlijk gezag. In veel volksverhalen komt de hoogmoed van de doerak voor de val: hij verandert steevast in een rotsblok.

Indonesie heeft anno 1990 weinig meer te vrezen van het communisme. De PKI werd op 12 maart 1966 verboden en het hele politburo geexecuteerd. Leden van het Centraal Comite stierven eveneens voor het vuurpeloton of verdwenen voor vele jaren naar het gevangeniseiland Buru. Sommige doodvonnissen werden eindeloos uitgesteld. Twee ex-CC-leden, Ruslan Wijayasastra (70) en Sukatno (61), wachten samen met vier andere terdoodveroordeelden in de Cipinang-gevangenis van Oost-Jakarta al bijna twintig jaar op hun executie. Voormalige parlementsleden voor de PKI werden geinterneerd op Buru. Naar schatting een half miljoen (vermeende) PKI-leden en hun familieleden werden tussen oktober '65 en oktober '66 omgebracht.

Nieuwe Orde

Generaal Soeharto en de zijnen schiepen vanaf 1967 een Nieuwe Orde; zij reorganiseerden de Indonesische samenleving zodanig dat een terugkeer van PKI-ers op maatschappelijke en politieke machtsposities was uitgesloten. De vakbeweging werd eerst ontbonden, later op nieuwe leest geschoeid, metex-militairen op strategische posten in het regionale en lokale bestuur. Alle maatschappelijke organisaties vakbonden, studentenclubs, vrouwenorganisaties, ambtenaren, religieuze genootschappen moeten zich bekennen tot de staatsideologie Pancasila, die communisme, Westers liberalisme en islamitisch fundamentalisme de pas moet afsnijden.

Aspirant-ambtenaren ondergaan een antecedentenonderzoek om vast te stellen of ze 'onder invloed staan' van communistische ideeen. Sinds juli zijn de richtlijnen en criteria voor deze 'screening' aangepast. De nadruk is verlegd van bloedverwantschap met ex-PKI-leden naar 'uitlatingen en gedragingen die wijzen op communistische beinvloeding'.

Brigade-generaal Todo Sihombing, lid van Bakorstanas, het Coordinerend Lichaam van Bijstand voor het Verzekeren van de Nationale Stabiliteit, het hoogste veiligheidsorgaan, vindt de nieuwe richtlijnen 'eerlijker' dan de oude. In het parlement is echter kritiek geuit op de vaagheid van de term 'beinvloeding'. Golkar-woordvoerder Marzuki Darusman waarschuwde dat deze onduidelijkheid 'de ontwikkeling van nieuwe politieke ideeen in de weg kan staan'. President Soeharto heeft de Pancasila niet voor niets een 'open ideologie' genoemd, aldus Marzuki.

Na 1979 mocht geen enkele ex-PKI-er meedoen aan de verkiezingen. Dat jaar werd voor het eerst een beperkt aantal voormalige politieke gevangenen, die werden beschouwd als 'volgelingen' van de PKI, tot de stembus toegelaten. Alle 1,43 miljoen geregistreerde PKI-ers zullen de komende tijd worden onderzocht op loyaliteit jegens de Pancasila om te bepalen hoeveel er in 1992 mogen stemmen.

Hari Soegiman, directeur-generaal voor sociale en politieke zaken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, zei onlangs dat zij zullen worden getest door een team bestaande uit leden van de politie, het Ministerie van Justitie en Bakorstanas. Naar schatting 50.000 PKI-ers hebben een politieke heropvoeding ondergaan en zullen in 1992 hun stem mogen uitbrengen, aldus Soegiman.

Alle politieke gevangenen die in de loop der jaren zijn vrijgekomen, staan onder strikt toezicht van de militaire autoriteiten. Zij hebben een speciale code (identiteitslijst), zodat zij te allen tijde herkenbaar zijn. Twee keer per maand moeten zij zich melden bij de districtscommandant. Zodra ze hun handtekening hebben gezet op een presentielijst mogen ze weer gaan. Als ze hun woonplaats tijdelijk willen verlaten, bijvoorbeeld voor familiebezoek, hebben ze toestemming nodig van een reeks functionarissen, van het wijkhoofd tot de provinciale gouverneur. De meesten zijn al op leeftijd; voor hen is deze gang langs de instanties te veel gevraagd.