Het beloofde land; 'So opgedonner en verskeur'

Het meisje voor het korbeelhuis laat een foto van haar grootmoeder zien, een vrouw tussen drieentwintig kinderen, allemaal gebaard in de stenen iglo, een donker hol met twee handgrote ramen. Bomen groeiden hier niet voor de Trekboer, hij stapelde klip op klip zijn huis. Het is een mager meisje, haar jukbenen en knokkels steken door haar ivoorkleurige huid. Ook haar vader is vel over been. Ze wonen nu naast het korbeelhuis in een houten schuur. Haar vader piept amechtig op een stoel, ' die kanker het hom nou tog te swaar gekry, ' zegt ze, ' ek weet smorens nie of ek hom saans sien.'

' Komt er een dokter?' vraagt Eva.

' Nee, maar hy slik pille.'

Het benige meisje heeft een zoon van een man die langskwam op een paard. Ze zit en lacht maar wat. Ik ben de eerste Hollander die ze in haar leven ziet, van Europa heeft ze nooit gehoord en Johannesburg, de Kaap? Ze kent alleen haar veld en weet bij geruchte van de zee. Hebben we foto's van een zee? Eva laat haar kiekjes zien van vakanties aan het strand van Port Elisabeth. Zoveel water? ' Goddeloos, en jy kan niks daarmee maak nie.'

' Wil je naar zee?'

Ja, wel zien maar niet erin. Van zee krijg je scheurbuik, net als Van Riebeeck.

We zijn de weg kwijt en zo vonden we dit meisje, in een dal langs een maagdelijk pad. Ze leeft van haar schapen en eet van de jacht, ze vangt springbokken te paard. ' Ek ry een moeg tot my perd hom doodtrap.' Ze springt op haar paard en gaat ons voor, het dal uit, tot achter die berg. Haar vette haar slaat in haar nek, haar benen als een hoepel, alsof ze een sprookjesboek uitrent. Ze wijst ons het teerpad in de verte en galoppeert zonder groet weg de bossies in.

We rijden door die Roggeveld, een streek waar de wilde rogge tussen de grassen groeit. De mensen leven hier ver van gezag en wet. Scholen en kerken zien we niet, alleen hier en daar een schamele opstal, omringd door termietenheuvels - Donkerkak doopte een boer zijn plaas. De mannen zijn lang en hebben een dierlijke tred, de vrouwen overbeet en sproeten als poffertjes zo groot.

' Harde schedels hebben ze hier, ' zegt Eva. ' Neef trouwde met nicht, ook uit familietrots. Inteelt heeft het goede beter gemaakt, het slechte slechter en het domme nog dommer. Er zijn hier plaase waar niemand een hoger IQ heeft dan de leeftijd waarop hij sterft.'

We spreken een vrouw die een week geleden voor het eerst in haar leven op het dorp televisie keek. ' Pragtag' was het, ze had honderden mensen op het scherm gezien, maar, vroeg ze zich bezorgd af, ' waar slaap al die mense vannag?'

Overal is tijd voor koffie en gesels. Bij de man, getatoeeerd met bijbelspreuken - 'dis tekens van God' -, bij de witte vrouw die als zoveel kleurlingen haar voortanden heeft uitgetrokken. Al weken wil ik weten waarom, eindelijk overwin ik mijn gene. ' Dis suig so lekker, ' zegt ze met een onschuldige lach.

Een dokter wordt hier maar gewantrouwd, boereraat is het beste medicijn. Bij spit wrijven ze warme pompoen op hun rug of zetten hun schoenen voor het slapen in de vorm van een T, en het helpt nog meer als je je nagels knipt en met kruinhaar onder een boom begraaft. Soms kan Eva zich niet bedwingen en deelt ze aspirientjes uit of zalft een wond.

De mensen praten hier nog met de aarde. Ze wijzen ons de eetbare planten, snijden perdeskoen in plakjes, ' 'n lekker soet uintjie'. We proeven volstruiskos, de bittere gaab en graven naar kambro.

' Als je dit eet, ' zegt Eva, ' ben je een kind van de Karoo.'

Op die Roggeveld zijn verschillen tussen wit en bruin vervaagd. Begin negentiende eeuw pionierden hier de eerste blanken. Ze knechtten de Khoisan, weidden hun winterharde vetstertskaap en ieder leefde zijn karig bestaan. Het valt op hoe vredig Zuid-Afrika kan zijn.

In Sutherland, zestienhonderd meter hoog, de koudste plek van het land, zit wit naast bruin in de kroeg. In de dorpswinkel - schoenen aan de zoldering, pompoenen op de grond - wisselen ze samen de laatste roddels uit en als er een wankele man in de pompoenen valt, leggen de vrouwen hem zusterlijk buiten op de stoep.

' Hy is poepdronk, ' zegt de winkelierster, ' skuus tog dat ek vloek.'

Niet alleen de taal van wit en bruin is hier opvallend hetzelfde - mooie beeldspraak alsof ze de woorden zomaar uit de bossies plukken - ze leven ook nagenoeg hetzelfde, in hun kleine huisjes met 'aairon' daken en onder de luifels van hun veranda. Ze hebben allemaal dezelfde hoop: regen, een goede vleesprijs, en ze ruiken allemaal hetzelfde: naar schaap.

Eva ergert zich aan de armoe, de eenvoud en de domme praatjes, ik geniet juist van de hoepelbenen en de schele blikken. Hier heeft de Dordtse bijbel het van Afrika verloren. Op die Roggeveld is de witman een kaffer.

' Je wilt ons blanken naar beneden halen, ' zegt Eva.

' Ons blanken?'

' De blanken, de Boeren, ' zegt Eva bits. ' Hoe belachelijker en achterlijker, hoe beter het je uitkomt.'

We zitten al drieduizend kilometer opgesloten in een auto en de ergernis groeit met de dag. ' In elk geval, hier is ons een, ' zegt Eva, en ze duldt geen tegenspraak. Maar ik denk: het is de harmonie tussen meester en knecht, want in onze gesprekken met wit en bruin keurt de een de ander telkens af. De baas is de vader die het beste voorheeft met zijn onwillig kind, de knecht speelt de vermoorde onschuld. Een familie wordt het nooit.

Telkens ben ik spelbreker. In het Louwhuis, een klein museum waar Sutherland zijn grote zonen eert met een kamer voor de dichters N. P. van Wyk Louw en zijn broer W. E. G. Louw, wijs ik Eva pesterig naar de knopneuzen op de vergeelde portretten. Dikke lippen en bruin dat bleek moest blijven onder een kappie.

Even sta ik weer op Sondraai, in de tuin van W. E. G. aan de rand van Stellenbosch. Hij hoopte zo dat ik een toegewijde leerling worden zou. Hij hielp me met mijn studie Afrikaans, nam me mee op reis en toonde me de Kaap. Aanvankelijk duldde hij mijn kritiek, maar toen die na weken alleen maar toenam, werden we kwaaie vrinden.

Ik herinner me een wandeling over zijn landerijen. We keken naar zijn wijngaard met uitzicht op de Tafelberg, blauw en dijzig in de verte - ' Dis alles myne' dichtte hij ooit; het was het landschap van zijn hart. We stonden stil bij de bloeiende amandelbomen die hij de dag daarvoor in een gedicht beschreven had: ' Wit, onwesenlik, 'n sneeu, 'n spoor van onaardse lig... ', hij citeerde en ik vond het mooi. Mijn liefde voor zijn taal verbaasde hem keer op keer.

' Omdat het een taal is met een zwarte geschiedenis, ' zei ik, ' ik zoek het exotische'.

W. E. G. schudde afkeurend zijn hoofd. ' Afrika is ons juist vreemd. Wij hebben er een natuurlijke afkeer van.'

Op dat moment liep er een mooi bruin meisje met een mand vol geraniums voorbij.

' Ik gruwel bij de gedachte dat ik met een bruine vrouw zou moeten slapen, ' zei hij. ' Fysiek staan ze me tegen.' Ik keek naar haar lange benen. ' Maar dat is in ons geslacht niet altijd zo geweest. Als de Boeren zich destijds niet hadden vermengd zouden ze aan huidkanker ten onder zijn gegaan.' Hij wees verlegen op een korstje aan zijn slaap. ' Goedaardig, maar ik moet het wel elk jaar laten pellen.'

Hij was, als zoveel Afrikaners, een bastaard op zoek naar zuiverheid.

Als wij 'smorgens vroeg Sutherland verlaten schittert de rijp nog op de peperbomen. We buigen naar het noorden en dalen en dalen tot de middag voelt naar warme was. De Karoo is zwart en dreigend. Weer valt de regen. Oom Gert in Sutherland voorspelde reenkolle, maar het water stroomt ons van de heuvels tegemoet. (Als de boeren moeten zaaien, leest hij het weer in de lucht. ' Hoe doe je dat, oom Gert?' vroeg Eva hem. ' Ag, ek luister ook maar radio.') De grond kan het water niet meer verwerken.

We nemen een zijpad naar Calvinia en rijden stapvoets door een woest gebied. De dassies schieten in hun holen, meerkatten rennen langs de weg en apen vluchten uit de doringbomen. Ze roetsjen van de stenen die door het stromende water bloot komen te liggen. Een mannetje kijkt kwaad naar de lucht. Als we tjoepstil langs hem rijden, gooit hij modder naar onze ramen.

Eva is met apen grootgebracht en ze verzacht de stemming met bobbejaan stories. Een oom uit Pearston vertelde graag over Pieter Slaght, ruw volk, dat zich stoorde aan god noch gebod. Ze vingen apen in een kooi achter hun plaas.

' Vat jou roer en skiet die bobbejane, ' had Ou Slaght zijn jongste zoon bevolen.

De jongen sprong op zijn paard en reed naar de kooi. De oude man wachtte buiten op de stoep en hoorde maar een schot. Met hangend hoofd keerde de zoon terug.

' Was er maar een?' vroeg de vader.

' Nee, ' zei de zoon, ' er waren er twee, maar ik kreeg het niet over mijn hart de ander te doden.'

' Jy blikskottel, jy papbroek, ' zei Ou Slaght en hij stuurde zijn oudste zoon naar de kooi. Ook die kon de aap niet schieten.

Toen greep de oude man zijn geweer, sprong op zijn paard en reed zelf naar de kooi. Daar zag hij wat zijn zonen zagen: een jong vrouwtje met een opengeschoten borst, badend in het bloed, daarnaast een jong mannetje dat zijn vrouwtje streelde, huilend van verdriet. De oude man stapte de kooi in, nam het vrouwtje op en wiegde haar in zijn armen. Ou Slaght schoot niet, hij knielde en troostte het mannetje. Zijn kleren waren doordrenkt met bloed.

Thuis wachtte de hele familie op de stoep. ' Zolang ik leef zal ik geen aap meer doden, ' zei Ou Slaght, en hij trok zich terug op zijn kamer. Voor het eerst van zijn leven bad hij tot God en vroeg Hem vergiffenis. ' Een bobbejaan het Ou Slaght tot God gebring.'

God, die verschrikkelijke God - als ik hier nog lang blijf ga ik ook door de knieen. Je moet wel van klip zijn als je in dit landschap niet gelovig wordt. En ik moet me bedwingen niet te vragen wat er gebeurd zou zijn als die aap zwart was.

Autorijden wordt gevaarlijk. We moeten schuilen. Na acht uur rijden zitten we om het haardvuur van nicht Stienie. Vijf dagen later zitten we er nog.

Water is een toverwoord, een soebatwoord, maar na een week regen is het een vloekwoord. ' Die natste Karoo in honderd negenenveertig jaar, ' zegt het nieuwsbericht. Schapen verdrinken in de kuilen van het veld, stofpaden spoelen weg, bruggen staan nutteloos in waterplassen. Stienies nieuwe man, dokter Kobus Marais, zit in zijn natte onderbroek hijgend op een keukenstoel. Hij heeft twee koeien uit de rivier achter zijn huis gered. Alleen in het voorjaar sijpelt daar wat water, nu is het een okergele kolkende stroom. We wachten en kijken naar buiten. Geen kind speelt meer in de plassen, alleen een bleke jongeman loopt tierend door de regen. Hij draagt een ANC-ijsmuts, en een statig lange regenjas. Hij balt zijn vuist als hij ons raam passeert.

' Een kind van de revolutie, ' zegt Kobus, ' alleen sy kop is 'n bietjie deur mekaar.' Hij schenkt ons champagne met moutbier, zijn lievelingsdrank, en sluit de gordijnen.

Stienie staat in de keuken, ze bakt brood, maakt kaarsen van bokvet, vult de parafinelampen. Ze opent de vrieskist, damp parelt in haar zwarte haar: springbok, kip, rundvlees, schelpen uit de Kaap, of schaapsbout? Nee, geen schaap meer... springbok, geschoten door een dankbare patient. Een bediende poetst de eeuwoude perskepitvloer, een mozaiek van perzikpitten in roodbruine aarde en mest, gehard met ossebloed en de glans van generaties boenwas.

Kobus houdt van het verleden. Hij noemt zich een gelukkig man. Na een rijke praktijk in Johannesburg verliet hij zijn vrouw en de ratrace, hij zwierf door de Karoo, ontmoette Stienie Landman en werkt sinds een jaar in het noordwesten. ' Ik had mijn wortels verloochend, ik ben ook boer.' Koeien, schapen, struisvogels en zelfs stekelvarkens hokken om hun huis. Met een vennoot waakt hij over een gebied van zevenentwintigduizend vierkante kilometer, ' groter dan de Vrijstaat'... bijna heel Nederland.

Kobus weet niet hoeveel patienten hij heeft, de telefooncentrale is de levenslijn. Wie hulp behoeft kan het krijgen. Soms zit hij twee dagen in de auto om een gebroken been te zetten, op keukentafels en in het open veld opereert hij steekwonden in het hart, keizersneden, ingegroeide teennagels. Een jaar Karoo leerde hem meer dan vijftien jaar Johannesburg. Hij adoreert de eenvoud en de levensstijl van deze streken. ' Vroeger logeerde ik alleen in vijfsterrenhotels, ook omdat ons zwarte kindermeisje nergens anders binnen mocht. Hier slapen we bij de mensen thuis of achter een bossieskerm.'

Kobus is een liberaal. In de vensterbank staat hij op een foto met twee zwarte vrienden. In Johannesburg was hij actief in de politiek. Zijn tennisclub had zich bij de UDF

aangesloten en hij had ook wel eens een vuist op een zwarte begrafenis gemaakt. Tot die dag in Soweto, toen hij een weduwe van een vermoorde vakbondsleider ging bezoeken.

' Vlak voor haar huis werden we ingesloten. Ik zat aan het stuur, naast en achter mij twee zwarte vrienden. Aan hun kant stonden ze te juichen, het was comrade voor en na, aan mijn kant stond een groepje agressieve jongens die ' whites go home' en allerlei racistische dingen riepen. Ze trapten tegen mijn auto, sloegen op het dak. Ze dreigden mij eruit te sleuren en wilden hem 'nationaliseren'. Ik stak mijn hand uit het raampje en riep: ' ANC viva!' maar ze rukten het horloge van mijn pols. Als ik niet met zwarte vrienden was geweest, weet ik niet wat er gebeurd zou zijn. Uiteindelijk lukte het de goede kant om de weg vrij te maken. Ik heb er eigenlijk nooit met hen over durven praten, omdat ik bang was dat ze het als kritiek op de organisatie zouden opvatten, dat ik niet solidair was. Er bestaat al zoveel wantrouwen tegenover de blanken.

' In Johannesburg leefde ik voortdurend op het scherp van de snede, tussen de verzoenende idealen van het ANC en de blinde haat tegen alles wat wit is. Als er in de keuken een bord brak, dacht ik dat ons huis werd aangevallen, zo nerveus was ik. Mijn vorige vrouw zag alleen het goede in het ANC, maar bij mij groeiden de twijfels. Vroeger, toen er geen hoop op verandering was, stond ik achter 'one man one vote', nu weet ik niet of we nog wel op de goede weg zijn. Kijk hoe ze elkaar afslachten. De macht van de radicalen groeit met de dag. Ik wil niet de ene onvrijheid voor de andere inruilen.'

Het geschreeuw buiten wordt luider. De gek raast nog steeds. Eva loopt naar het raam en kijkt door een kier van het gordijn.

' De zwarten praten alleen over vrijheid en verzet, ' zegt Kobus, ' niet over democratie.'

' En nu, Kobus?' vraagt Eva afwezig.

' Ik heb geen tweede paspoort onder in de la.' Hij lacht bitter. ' Hier heb ik een taak, ik maak kinderen gezond, ik help mee scholen stichten, wat ik doe heeft effect. In Johannesburg was mijn protest te futiel.'

' Mag hij binnen?' vraagt Eva.

Stienie schiet een jas aan en gaat naar buiten. ' Fat white, fat white, ' schreeuwt de man. ' Stienie temt hem met droe wors, ' zegt Kobus, ' die fat white is ek.'

Het dorp weet nog maar weinig van de man. Alleen dat hij Derek heet, en twee maanden geleden op de verlaten plaas van zijn grootvader kwam wonen. Hij komt uit Zimbabwe en boert met een Indier en een Zoeloe. Ze houden Romanovs, koffiekleurige schapen die geen boer hier kent. Maar ook een Indier hadden de meesten nog nooit in levenden lijve gezien. Het dorp was weken opgewonden, het gerucht gaat dat ze allemaal in een huis slapen, de zwarte, de Indier, de witman en de Romanovs. Bruine schapen... goedkope symboliek vindt Kobus.

Hij maakt zich zorgen over Derek. Dat geschreeuw de laatste dagen, ook tegen de kerkgangers: ' Hou jullie fokken bekke. Jullie witvelle se dae is getel, ' heeft hij verleden zondag geroepen. ' Volgens de politie zat hij vier jaar in Pretoria, ' zegt Kobus, ' maximum security, ANC of zoiets. Hij is van een oude familie.'

Stienie staat druipend op de mat en brengt de regen in de kamer. ' Kom, ' zegt ze, en ze duwt de drijfnatte Derek voor zich uit, zijn mond hangt open, maar hij is stil. Zijn blonde rastaharen slierten onderzijn muts uit. Hij loopt als een oude man.

Kobus trekt een droge broek aan, zet de champagne in de ijskast en zet een nieuwe fles bier op tafel. Rillend schuift Derek naast ons om het vuur, hij veegt de druppels van zijn gedeukte neus. Hij schrokt de worst op en drinkt bier voor twee magen.

' Hoe gaan dit met die Romanovs?, ' vraagt Kobus.

' Sleg, baie sleg'. Brandsiek, zijn schapen verrekken van de luis. Kobus loopt naar zijn apotheek, mens of dier, hij heeft voor alles een pil of drankje.

' Wat maak julle op die plaas, ' vraagt Eva.

' Vrede, ' zegt Derek met een triomfantelijk gezicht.

' Er was vrede, ' zegt Kobus met zijn hoofd in de pillenkast. ' Nu vervloek je de gelovigen.'

' Kese, ' zegt Derek, ' kese wat met AWB-wapentjies loop.' Hij neemt zijn ANC-muts af en houdt hem voor het vuur, een natte vlag boven de perskepitvloer. Kwaad pakt de bediende de muts af, als een kadaver gooit ze hem op de mat voor de deur. Derek lacht haar uit.

' Is jy ANC?' vraagt Kobus.

' Ja, ' zegt Derek uitdagend, ' en kommunis.'

' Dat is een hele sprong voor een Afrikaner seun, ' zegt Kobus.

Derek kijkt ons wantrouwend aan. Zijn grijze ogen staan helder, in de war mag hij zijn, niet gek. ' Op school noemden ze me al een communist omdat mijn pa ons leerde 'meneer' tegen een zwarte te zeggen'. Zijn gezicht is van pijn vertrokken. Hij vloekt. Als hij een voet verzet moet hij eerst zijn dij optillen. Elke beweging is vertraagd, maar hij praat snel als een gedrevene... Hoe hij op de Hoer Skool de uitverkiezing tot prefek afwees omdat hij weigerde een eed te zweren waarin zwarten 'volksvreemde elemente' werden genoemd en hoe hij in dienst zijn bajonet in zandzakken moest steken die de namen van zwarte leiders droegen. Hij prikte niet in Mandela, Tambo of Nujoma, ze sloten hem op en weer was hij ' n Afrikaner seun gone wrong'. In Londen las hij voor het eerst Mandela en het Vrijheidsmanifest. ' Het jy dit gelees?, ' schreeuwt hij naar Kobus, ' en jy en jy en jy?', vraagt hij Stienie, Eva en mij. Alle vier knikken we beschaamd nee.

' Dit was verbied, ' zegt Kobus.

Derek steekt zijn vinger op: ' Die mense sal regeer, sal deel in die land se rykdom, sal vir die reg gelyk wees, en vir hierdie vryhede sal ons veg, sy aan sy, ons lewe lank, totdat ons vryheid verower het... ' Zijn stem slaat over, hij slikt een brok in zijn keel weg. ' Dis moers goed'.

Terug in Zuid-Afrika raakte hij bij acties betrokken, dieper en dieper, tot het daadwerkelijke verzet.

' En toen gooide je met bommen, ' zegt Kobus na een laatste slok van zijn champagne.

' Ik gooi niet met bommen, zij gooien met bommen, ' zegt Derek fel. Hij rukt zijn overhemd open en laat zijn borst en schouders zien. Wild vlees, het bot van zijn schouderbladen schijnt er wit-rose door, weggeschroeide tepels, een maag van opgelapte stukken vel. Stienie slaat haar hand voor haar ogen.

' Een dirty bomb, ' zegt Derek, ' halve centimeter grote granaatscherven. Veertig hebben ze er uitgehaald en er zitten er nog vijftien in. Als er een wolk met regen overdrijft steken die krengen al'. Kobus loopt zenuwachtig naar zijn apotheek.

' Ik kom naar de droogste plek op aarde en nu regent het', zegt Derek. Hij rilt over zijn hele lijf en vloekt met hoge stem. Na een pil en een dubbele whisky komt zijn lichaam tot rust.

Het was een wraakactie van die army. Na zijn diensttijd bracht Derek Renamo .-contacten van het leger in de openbaarheid. Zijn informant werd verraden en Derek kreeg vier jaar. Na zijn gevangenisstraf vertrok hij naar Harare, ook daar liet Zuid-Afrika hem niet met rust. Hij deed ANC-werk tot op de dag dat hij zijn auto voor een winkel parkeerde. Hij stond in het epicentrum van de ontploffing. Een op de twee miljoen blijven na zoiets leven, zei de dokter in Harare. De chirurgen konden hun ogen niet geloven. De wonden, de blaren, zijn ingeklapte long en de shock, vooral de shock. De klap in zijn kop was het ergste. Stienie legt een schoon, droog overhemd over Dereks schouder.

' Waarom kwam je terug, ' vraagt Kobus.

' Om de droogte, nooit meer regen, nooit meer pijn, ' lacht Derek. ' En ik ben legaal man, het ANC is legaal. Ik heb mijn paspoort terug. Ek is 'n gewettigde kommunis'.

' Weet je wat het verschil is tussen Oost-Duitsland en Zuid-Afrika?, ' vraagt Kobus, ' Zuid-Afrika heeft een communistische partij'.

' Ik heb tenminste gekozen, ' zegt Derek. ' Het jy gekies en jy en jy?, ' en wijst naar Eva.

' Jy kies teen die Afrikaner, ' zegt Eva. Ze zegt het zacht en achteloos.

' Godverdomme, ' schreeuwt Derek en hij krijst het uit: ' Ik wil een boer zijn in een land dat aan iedereen toebehoort. Is dat een zonde? Als jullie niet delen zullen we erom vechten'. Eva kijkt lijkbleek naar de grond. Het vuur brandt laag. ' Is die tuinhek toe?, ' vraagt Kobus aan zijn vrouw. Ze kijken bang naar buiten... En is de brandkast dicht en hoor ik daar de waakhond aan zijn ketting want ze zullen in zwermen komen, de rooien, de bruinen en de zwarten. Duizend vrezen kloppen aan de deur en Eva zeurt over het behoud van de Afrikaner. Ze probeert niet meer in kleur te denken, maar in het nauw gedreven is haar wereld wit, lijkwit. ' Ek kies vir my patiente, ' zegt ze na een lange stilte.

' Jou land is nog sieker, ' zegt Derek. Hij staat op, pakt zijn muts van de deurmat en stapt de regen in. Stienie rent hem na met zijn jas.

Eva excuseert zich dat ze Derek binnenvroeg. Ze zet het op een drinken. ' Hoe ziek is jouw Karoo, Kobus?', vraagt ze loom.

' Er worden hier meer kalmeerpille geslikt dan in Jo'burg Central vooral door vrouwen.'

' Wat maakt ons zo zenuwachtig?'.

' Eenzaamheid, verlatenheid, een man die dagen op het veld is, je naaste buurvrouw zestig kilometer verderop en een kerk die alle vreugde verbiedt.'

' Ek weet, ek weet, ' zucht Eva.

Maar Kobus leeft van ziektes op: ' Vooral de armoe drukt op de gezinnen. De droogte vreet aan de schapen. Gezinszelfmoord is onder boeren een veel voorkomend verschijnsel. In deze streek heeft iedereen een verlossend geweer.'

' Jij hebt er veertien in de kast, ' zegt Eva.

' Ek is 'n jager.'

' En de bruinman, hoe gezond is hij?'

' De bijbel zegt: 'Jy mag nie 'n struikelblok vir jou broer wees nie', maar we vergiftigen ze met goedkope drank. Elk weekeinde moord en verkrachting. Vaak zijn de vrouwen te dronken om zich te verzetten, driekwart van de kinderen is buitenechtelijk. De hersenschade onder zuigelingen is schrikbarend. Op elk wit kind worden hier 24 bruine kinderen geboren. Wie bouwt de scholen? Ik weet niet hoe dit in een nieuw Zuid-Afrika moet gaan. Geen economie kan dit dragen. Zij die hogerop willen, komen hogerop. Maar het probleem is dat we veel mensen laten klimmen die dat nog niet willen of kunnen. De goed opgeleiden zullen als eersten uit de lokasies vertrekken. Daarmee verdwijnt ook het voorbeeld uit hun gemeenschap. Het kaf blijft achter'.

Eva is in slaap gevallen. Stienie propt een nieuwe pit in de olielamp. Derek galmt weer in de regen. We zijn allemaal somber. Alles lijkt zo uitzichtloos vandaag. De toekomst van dit land, de oorlog tussen zwart en zwart, wit en wit, de pijn van Derek, het bittere zwijgen van de bediende op de perskepitvloer, de regen, de vriendschap tussen mij en Eva.

De zon breekt door. De bossies dampen voor de ramen. De geuren zijn terug, maar sterker. Citronel, kruidnagel, peper en mest. De buurman zegt: ' Dit is de eerste normale dag in dertig jaar'. De kinderen spelen weer buiten. De lucht zit vol Cubanen en achter de koppies schuilen terroristen. ' Dis hun spel, ' zegt Stienie moederlijk. Ze geeft ons gedroogde perziken, droe wors en de laatste watermeloen van het jaar.

Naar de kust, over de rouwrandwegen van de witte dorpen. De regen heeft het veld een groene waas gegeven. De schaapwachter draagt een groen blad in zijn hoed. De Noordwester heeft die week als kop: VERHEUGDE BOERE GLIMLAG BREED. Op het binnenblad lees ik dat neef Lieb's hotel te koop wordt aangeboden. Tien kamers, drie kroegen - dames, privaat en publiek - en een bottelstore voor 110.000 rand, inclusief de enige winkel met voorraad. Daarnaast een grote advertentie van de Konservatiewe Party: STEL U EN U VOLK EERSTE.

We dalen af naar de Kaap, onder ons ligt de Knersvlakte, zo gedoopt door Trekboeren tijdens een ossewaknarsende droogte. Beneden ons ligt de Kaap - korengeel, geploegd steenrood, roestige wijngaarden. Huisjes als schelpen op het strand. De dorpen Misverstand en Welgevonden. En waar de wind op het gras zit maakt hij de halmen wit.

Nu voel ik mijn tranen komen. O, leeg en prachtig land, zo moeilijk te delen.

' So opgedonner, verskeur en vertrap soos hy is, ' zegt Eva, ' so onbegryplik is sy bekoring'. Stil en bedroefd rijden we naar huis.

Het is Sophies dag vandaag. Ze graait in onze vuile was en ze lacht en ze lacht en ze lacht.

UDF, United Democratic Front, legale zusterorganisatie van het ANC.

Renamo (of RNM), Resistencia Nacional Mocambambicanjarenlang door Zuid-Afrika gesteunde nationalistische verzetsorganisatie in Mozambique.

Voorjaar 1990 bezocht Adriaan van Dis Zuid-Afrika. Met zijn oude vriendin Eva Landman reisde hij naar de Karoo, het grote binnenlandse plateau in het noord-oosten van de Kaapprovincie, waar de Afrikaner familie Landman al tweehonderd jaar worstelt met de dorre bodem. Laatste aflevering in een serie over blanke Zuidafrikanen in tijden van verandering. Terugkeer naar de Kaap: 'In deze streek heeft iedereen een verlossend geweer'.

    • Adriaan van Dis