H. O. Th. Finkensieper: 'Ik zie dit alles als het zwaarsteexamen`

Een sober gemeubileerde flat in een groene buiten wijk van Nijmegen. Aan de muur een poster waarop in grote letters de beginalinea van Kafka's Die Verwandlung: ' Toen Gregor Samsa op een morgen uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een monsterachtig ongedierte was veranderd. Hij lag op zijn hardgepantserde rug, en zag, als hij zijn hoofd enigszins optilde, zijn gewelfde bruine, door boogvormige geledingen verdeelde buik... '

' Zo is het ook mij vergaan', zegt Theo Finkensieper, ' op een dag was ik voor mijn omgeving opeens een beest geworden.'

Hij is een kleine man met een dun baardje en een zeer dwingende spreektrant. Het kost hem moeite lang stil te zitten, het liefst zou hij tijdens het gesprek blijven ijsberen. Hij verontschuldigt zich voor zijn voortdurende pijproken. ' Ik moet iets in mijn hand hebben.' De cassetterecorder op tafel? Hij vraagt zich af of hij zijn neiging zal kunnen onderdrukken om steeds op het tafelblad te trommelen.

Bij het arrangeren van het interview had hij minder reserve getoond dan zijn advocaat, mr E. Sutorius. Eerder liet hij zich voor de televisie ondervragen in VARA's Het moment. Waarom? ' Ik dacht vroeger dat je als crimineel geen openbaar bezit bent. Maar ik merkte dat ik door de vele publiciteit over mij toch een soort publieke figuur was geworden. Iedereen praatte en schreef maar over mij. Daarom voelde ik me gedwongen mijn eigen gezicht te laten zien en mijn eigen verhaal te vertellen.'

Is het effect u meegevallen?

' Ach, wat merk je ervan? Ik ben veroordeeld wegens weerzinwekkende misdaden, ik weet niet wat je dan mag verwachten. Als een of twee mensen je schrijven dat ze het goed hebben gevonden - is dat veel of weinig?'

Tijdens het kennismakingsgesprek had hij gezegd: ' Ik begrijp de media niet, al die aandacht voor een plattelandspsychiatertje.' Als ik daar nu op terugkom, zegt hij: ' Is mijn zaak opzienbarender dan de schilderijenroof van Van Gogh of een of andere moord? Het valt me op hoe simpel dergelijke zaken worden afgedaan, vergeleken met de mijne.'

U begrijpt toch wel dat de beschuldigingen van dien aard zijn dat men er terecht veel ophef van maakt?

' Dat inrichtingswezen en misschien ook psychiatrische aspecten op tafel moeten komen, is mij duidelijk. Maar dan hoeven toch niet al die persoonlijke dingen vermeld te worden?'

Als voorbeeld komt hij met hetzelfde detail dat hij ook in Het moment noemde: de vermelding door een krant van de grootte van zijn genitalien. ' Dat heb ik, ook bij zedenzaken, nog nooit zien gebeuren.' Hij voegt eraan toe: ' Ik ben door de grote kranten, met name De Telegraaf, Algemeen Dagblad en de Volkskrant niet fatsoenlijk behandeld. Algemeen Dagblad heeft zelfs een paginagroot artikel over mij gepubliceerd met foto's van mij en mijn toenmalige vrouw.'

Op 27 februari 1989 werd Theo Finkensieper in het huis van zijn moeder aangehouden. ' Ze zeiden: wilt u inpakken en meekomen. Goed, denk je dan, laten we meegaan en eens kijken hoe dat gaat. Ik wist dat ze al twee maanden aan een onderzoek werkten. De arrestatie verbaasde mij in zoverre dat ik erop gerekend had dat ik een uitnodiging zou krijgen om op het bureau een verklaring af te leggen. Ik dacht dat ze me daarna weer zouden laten lopen ondat ze me in die twee maanden ook niet hadden opgepakt.

' Maar nadat ze me verhoord hadden in Westervoort, werd ik overgebracht naar het bureau in Duiven om te slapen. Op weg daarheen kreeg ik handboeien om. Dat werkte zeer vervreemdend. Ik had het gevoel dat ik meedeed in een stukje Tatort. Wat mij ook vreselijk hinderde en wat ik eveneens als een drukmiddel heb ervaren, was de behandeling in het politiebureau in Doorwerth. Ik heb daar 23 dagen in een cel gezeten met het licht en een tv-camera constant aan. Het motief was dat mijn broer een paar jaar geleden suicide had gepleegd. En ook al zei ik dat ik niet extreem geagiteerd of depressief was - het moest zo.'

Hoe heeft u zich tijdens de verhoren opgesteld?

' De recherche wilde maar een ding: een bekentenis. Men was ervan overtuigd dat ik het gedaan had. Ze konden ook moeilijk anders. Twee maanden lang hadden ze kinderen over mij horen klagen - en toen zagen ze me zelf. Dan kun je toch niet meer onbevooroordeeld zijn. Ik denk dat het met politiemensen hetzelfde is als met psychiaters, personeelschefs en andere mensen die iemand moeten beoordelen: het oordeel valt in de eerste vijf minuten. Alleen de hele goeden zijn dan nog in staat een andere hypothese op te stellen.

' Vier mensen verhoorden me, ze wisselden elkaar in koppels af. Elk koppel bevatte een vrouwelijke rechercheur. Een van hen was bijzonder op mij gebeten. Die sloeg op tafel, snauwde tegen me: 'Je bent een miezerig mannetje, je hebt het gedaan, zeg het nou maar'. Aanvankelijk bleven ze heel vaag over wat precies in de aangiften stond. Ze noemden ook geen namen. Ik moest maar vertellen wat ik 'allemaal gedaan had'. Toen daar niets uitkwam, noemden ze namen. Als ik bevestigde dat ik iemand gekend had, zeiden ze: 'Ja, dat zal wel, want je hebt er van alles mee gedaan'. Als ik zei dat ik het me niet meer herinnerde - want ik heb in 23 jaar 1500 meisjes gezien - geloofden ze me niet.

' Zo ontstond van hun kant een cirkelredenering: alles wat ik zei, werd tegen me gekeerd. Op een gegeven moment heb ik geweigerd nog iets te zeggen. Ik ging boeken zitten lezen, wat ze razend maakte. Ik noemde de situatie 'Kafkaesk' en stond erop dat dat woord in het proces-verbaal werd opgenomen, wat ze eerst niet wilden.'

Na de verhoren werd Finkensieper naar het Huis van Bewaring in Zwolle overgebracht. Hij verbleef er drieenhalve maand. Toen moest hij door een fout in de dagvaarding op vrije voeten worden gesteld. Inmiddels heeft de rechtbank in Arnhem hem tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld. De rechtbank achtte zes van de tien ten laste gelegde feiten - afkomstig van vier ex-pupillen - bewezen. Er waren meer aanklachten, maar die konden vanwege de verjaringstermijn - twaalf jaar - niet worden behandeld.

Sinds wanneer leeft u gescheiden van uw vrouw?

' Ik heb in november '88 het huis verlaten, in september '89 is de scheiding uitgesproken. Als je van zoiets beschuldigd wordt, en dan ook nog weet wat mij buiten de Stichtingen overkomen is of wat ik gedaan heb, dan is dat voor een echtgenote niet meer te verdragen.'

U doelt nu op de buitenechtelijke relatie met een expatiente - uw vrouw heeft daar nooit iets van geweten?

' Nee. Ik had overigens geen slecht huwelijk. We hebben ook nog contact.'

Binnen enkele maanden waren uw priveleven en uw maatschappelijk leven volledig ingestort - hoe verwerkte u dat?

' Mijn priveleven vormde een geheel met mijn werk aan de Stichtingen, dat is altijd zo geweest. Mijn hele sociale leven lag in Zetten, ik zat in allerlei verbanden. Alles heb ik opgezegd. Ik kan er nu niet meer over straat lopen. Ik wil de mensen die me goed kennen, niet dwingen om positie te kiezen.

' Mijn kinderen hebben mij gevraagd: 'Kun je er tegen of bestaat er een mogelijkheid dat je er een eind aan gaat maken?' Ik heb gezegd dat ik dat niet van plan ben. Dan sta je voor een situatie waarin je een weg moet zien te vinden. Dat betekent dat je alle energie inzet voor de instandhouding van het dagelijks leven: huishouden, boodschappen, op straat lopen en merken dat mensen je soms herkennen. Als je dat lukt, krijg je de rare reactie: het kan hem niets schelen. Terwijl je alleen maar je uiterste best doet om nog een kern van het bestaan overeind te houden!

' Als je besluit om door te gaan, moet je niet huilend in een hoekje gaan zitten. Af en toe heb ik wel eens die buien, maar dan trek ik de telefoon eruit en dan is het nog wel te overmeesteren. Het klinkt misschien vreemd, maar ik zie dit alles als het zwaarste examen dat ik moet doen.'

Waarom verscheen u zelf voor de rechtbank? U had kunnen zeggen: dit kan ik niet aan.

Stilte. Een kort lachje: ' Eigenlijk gun ik het mijn tegenstanders niet... Ik heb gedacht: het moet. Als ik het niet hou, komt het echt over me heen. Het was verschrikkelijk. Het kost energie, hoor, zo'n zaal achter je.

' Ik krijg ook steeds meer de neiging om me op te winden en te zeggen: dat kan toch eigenlijk niet wat me nu overkomt. Ik ben inmiddels failliet verklaard en ik zit nu in een gevecht met de WW, de WAO, de bijstand en met de Katholieke Universiteit Nijmegen waar ik filosofie wil studeren.'

Medestudenten dreigden onlangs met acties toen ze Finkensieper herkenden; de collegeleiding verzocht hem vervolgens af te zien van een voordracht die hij in een werkcollege zou houden, al erkende men zijn recht op universitair onderwijs. ' Ik zou een stuk tekst verklaren. Dat betekende dat men naar mij moest luisteren. Dat is het breekpunt geweest.

' Ik zal mijn uiterste best doen om filosofie te studeren, in welke modificatie dan ook. Mijn belang daarbij is enorm. Filosofie heeft altijd mijn interesse gehad, ik heb vroeger al mijn kandidaats gehaald. Verder is het goed om weer wat te doen. Ik heb twee jaar niet over problemen buiten mezelf nagedacht, dat is slecht voor een mens. Het is een manier om jezelf te handhaven. Ik had ook gehoopt dat ik via die studie heel voorzichtig iets van een sociale wereld zou kunnen scheppen. Maar het is een studie die je heel goed met boeken kunt doen, dus ik kan het mogelijk in de gevangenis redelijk opzetten.'

Ondervindt u nog enige morele steun?

' Ik beleef het als morele steun wanneer mensen met mij omgaan zoals ze vroeger deden. Ze hoeven zich daarbij niet uit te laten over mijn schuld of mijn stommiteiten. Als ze maar gewoon met je praten en ingaan op je interesses. Er zijn nog mensen die dat doen, maar alleen - en dat is een typisch effect - onder vier ogen. Dat is jammer, want ik was een sterk groepsmens.

' Wat ik mensen kwalijk neem, is dat ze niet willen of kunnen zien dat een mens meer is dan zijn misdaad. Zelfs als ik het gedaan zou hebben, zelfs als ik gezegd zou hebben dat ik het gedaan had - dan nog ben je meer dan je misdaad. Je hoeft het iemand niet te vergeven, maar je moet wel zien dat ie meer is.'

Uw hele gezin wordt in uw val meegesleurd.

' Dat komt ook door die naam. Een opvallende naam. Mijn grootvader was een Duitse handelaar in garen en band die zich in Nederland vestigde. Mijn kinderen waren trots op die naam. Want zoals mijn vader wat voor mij betekende, betekende ik ook wat voor hen. Dat wordt nu heel moeilijk voor ze. Twee werken er in het buitenland, de jongste heeft het er het moeilijkste mee. Voor mijn ex-vrouw en voor mijn zus die ook in dit werk zit, schept het ook grote problemen. Mijn vrouw zat in de feministische beweging: bijbelexegese op feministische grondslag. Daar zeiden ze: je moet hem aanpakken, jij bent zijn eerste slachtoffer. Dat heeft ze niet gewild, hoewel ze inderdaad een slachtoffer is, alleen niet in absolute zin.'

Finkensieper was vijf jaar toen zijn vader zich - in 1939 - in het Betuwse kerkdorpje Zetten vestigde als predikant en directeur van de Heldringstichtingen. In 1847 waren de Stichtingen ontstaan uit het sociaal pionierswerk van de Nederlands Hervormde predikant O. G. Heldring. Hij wilde hulp bieden aan vooral ongehuwde moeders en prostituees met als voornaamste oogmerk: bekering.

De Stichtingen vormden een hechte geloof-, werk- en leefgemeenschap. Pas in de jaren vijftig kwam er een kentering naar professionaliteit. Na de dood van Finkensiepersr in 1960 ontwikkelden de Stichtingen zich tot een behandelingstehuis voor meisjes (later ook jongens) met ernstige gedragsstoornissen. Theo Finkensieper werd in 1971 benoemd tot directeur van de jeugdpsychiatrische afdeling; in 1985 werd hij algemeen behandelingsdirecteur.

' Ik heb tot mijn negentiende in Zetten gewoond. Ik ben helemaal opgegroeid in het charismatische klimaat van de inrichting waarvan de dominee - mijn vader - tevens de directeur was. Het hele leven draaide om de Stichtingen. Als mijn vader jarig was, kwamen er meer dan honderd mensen over de vloer. De Heldringgemeenschap heeft een zwaar stempel op Zetten gedrukt. De Heldringstichtingen hadden hun eigen kerk, de Vluchtheuvelkerk, die zich weliswaar bij de Nederlands Hervormde Kerk had aangemeld, maar zich van de regels niet teveel wilde aantrekken. Zo werden de Heldringstichtingen een soort vluchtgemeente voor iedereen in de buurt die ook eens wat anders wilde horen.

' Mijn vader was een redelijk theoloog en goed prediker. Ik heb jarenlang in de kerk gezeten en elke zondag zijn preek gehoord.'

Werd u streng opgevoed?

' Juist heel tolerant. Maar wel draaide alles om de Stichtingen. De scheiding tussen priveleven en werk was bij mijn vader helemaal weggevallen - en later bij mij voor een groot deel. Het werk deed hij thuis - als hij niet op reis was door het land. Mijn moeder was ook druk met de Stichtingen en kerkclubs.'

Uw vader moet een dominante man zijn geweest.

' De hele gemeenschap keek ontzettend tegen hem op, maar ik heb hem niet als bedreigend ervaren.'

Het verhaal gaat dat uw ouders weinig aandacht voor u hadden.

' In de oorlog had mijn vader het veel te druk. Mijn grootmoeder heeft mij toen voor een groot deel opgevoed. Na de oorlog ben ik naar het gymnasium in Nijmegen gegaan en vervolgens medicijnen gaan studeren. Ik heb me niet verwaarloosd gevoeld, ik heb een prettige jeugd gehad. Ik had geen sterke band met mijn ouderlijk huis, het was geen gesloten familie, maar je leefde in een gemeenschap waarbij je heel gemakkelijk toegang had tot andere gezinnen.'

Het viel mij op dat uw moeder in de rechtszaal zat.

' En ze gaat straks weer. Ze zegt: ik wil dat zien. Natuurlijk is het moeilijk voor haar, maar het is niet haar aard om weg te blijven. Uiterlijk lijk ik vreselijk op mijn vader, maar qua karakter meer op mijn moeder.'

Al in 1974, enkele jaren nadat u de leiding had gekregen over de jeugdpsychiatrie in Zetten, kwam het eerste zwartboek uit van de Belangenvereniging Minderjarigen. Het handelde over de zware dwangmaatregelen. Er was daarin nog geen sprake van seksuele mishandeling, een meisje vertelde toen al wel dat u haar vragen stelde over haar seksuele beleving, nadat ze zich voor het lichamelijk onderzoek had moeten uitkleden. Waarom deed u dat onderzoek zelf?

' Dat vloeide voort uit wat ik bij prof. Prick, mijn hoogleraar psychiatrie in Nijmegen, geleerd had. In zijn kliniek was het ook gebruikelijk. Hij was iemand die geloofde in de samenhang van lichaam en ziel. Hij heeft zich ook sterk verzet tegen de splitsing van neurologie en psychiatrie.

' Een aantal meisjes kwam in Zetten terecht omdat ze uit hun lichaam gegroeid waren: 14-jarigen met een 18-jarig lichaam. Op dat laatste werden ze aangesproken waardoor ze in allerlei verwikkelingen terechtkwamen. Als ik dat door onderzoek constateerde, was mijn advies: je moet ze opvoeden, twee jaar in Zetten houden, totdat hun psychische leeftijd en kalenderleeftijd samenvallen.'

Was het niet verstandiger geweest om dat gedeelte door de huisarts te laten doen?

' Achteraf: ja. Maar gezien vanuit de diagnostiek heeft het winst opgeleverd. Na die eerste klachten heb ik er ook wel wat aan gedaan. Ik ben toen tijdens het onderzoek een witte jas gaan dragen. Voor meer duidelijkheid.'

Was het nodig om die meisjes zo indringend te ondervragen over hun seksuele gewoonten - een klacht tegen u die later voortdurend zal terugkeren?

' In de jaren zeventig hadden we in het observatiehuis dertig procent incestkinderen, veelal door stiefvaders. Niemand wist wat je ermee aan moest. Veel meisjes zaten er omdat ze met jongens weggingen, zonder goedkeuring van hun ouders. Om dat te weten te komen, moest je vragen stellen. Ik merkte ook dat er door de meisjes onderling veel over seksualiteit gepraat werd. Ik ben er toen toe overgegaan om er in hun eigen termen over te praten, iets wat me ook is kwalijk genomen. Ik vroeg: neuk je wel eens? Als je de term 'naar bed gaan' gebruikte, konden ze je met grote ogen aankijken, want sommigen deden het ook wel in de berm.'

Drong u er ook wel op aan - zoals sommige beschuldigingen luiden - dat ze zich bevredigden in uw aanwezigheid?

' Nee. Ik heb wel gezegd dat zelfbevrediging geen probleem was. Soms zeiden kinderen: ik heb er zo'n behoefte aan. We hebben niet voor niks voor alle kinderen eenpersoonskamers gebouwd. Kijk, in deze charitatieve gemeenschap van Zetten was seksualiteit altijd een groot taboe geweest - dat heb ik opengebroken. Ook door voorlichtingsboekjes van de NVSH uit te delen.'

Uw advocaat, mr Sutorius, heeft voor de rechtbank verklaard dat er niet of zelden aan seksuele therapie werd gedaan. Het gebeurde dus wel?

' Niet seksuele therapieen in die zin, maar we hebben wel een paar hele moeilijke... Ik heb te maken gehad met een kind dat transseksuele problemen had. Daar heb ik inderdaad iets in die richting gedaan. En ook met een ander kind, dat geen aanklacht heeft ingediend, heb ik zoiets gedaan, maar met iemand erbij en in overleg met de ouders.'

Maar het zwemmen met dat transseksuele meisje dat daarbij haar borsten moest ontbloten, heeft u alleen gedaan.

' Ik had er beter iemand kunnen bijhalen. Het was een heel extreme zaak. Ze was niet meer in de inrichting, ze kwam vrijwillig bij me. Ze wilde haar borsten eraf laten halen. Toen heb ik een poging gewaagd die achteraf bezien belastend is geweest.'

Een ander geval waarvoor u veroordeeld bent: dat van de nagespeelde verkrachting - was dat ook als seksuele therapie bedoeld?

' Het was als een katharsis bedoeld.'

U zou haar de kleren van het lijf hebben gerukt.

' Dat is niet juist. Ze is me wel aangevlogen, we hebben wel wat geworsteld, maar ik heb haar niet de kleren van het lijf gescheurd. Ik heb haar tot rust laten komen en vastgehouden. Ik zat in een zeer moeilijke positie. Ze moest bij ons weg vanwege haar sociale gedrag. Toen kwam ze met het verhaal dat ze vroeger verkracht was en met het verwijt dat ik daar niks aan deed. Ik heb niet gezegd: we gaan een verkrachting naspelen. Ik heb gezegd: vertel nou eens precies wat er gebeurd is. Met je emoties erbij. In die emoties is het tot 'holding' - vasthouden - gekomen. Dat valt niet buiten de regels van het spel. Je kunt je twijfels erover hebben, maar in dit geval dacht ik: ja. Op dat moment was het een reele beslissing. Om daar zes jaar gevangenisstraf voor te krijgen, dat gaat me te ver.'

Dit was niet de enige aanklacht, maar los daarvan: u gebruikte verder geen vormen van seksuele therapie?

' Nee! Ik heb daar nooit iets in gezien. Ik word ook niet vanwege seksuele therapieen aangeklaagd, maar vanwege zware, seksuele mishandeling. En dat zie ik veel meer als een aanklacht tegen machtsmisbruik dan als iets anders.'

U doelt nu op de machtspositie die u in Zetten jarenlang bekleedde. De aanklachten van uw ex-pupillen zijn, volgens u, een wraakoefening vanwege machtsmisbruik? ..misschien is het een manier om erkennning te krijgen van het feit dat het niet goed met je gegaan is. Dat wat ik gedaan heb, niet goed gewerkt heeft. Dat denk ik, ja. En je weet ook dat wanneer je in deze tijd zo'n verhaal van seksuele mishandeling vertelt, er beter naar je geluisterd wordt.'

Hij laat zijn handen zien. Kleine littekens. ' Beten van meisjes.' Dan: ' Als ik echt zei: ophouden, en ze dan beetpakte, was het meestal uit. Ik zeg niet dat ik me heel rustig heb gedragen. Ik heb wel degelijk gevochten met meisjes. Ik zeg alleen dat ik niet de dingen heb gedaan waarvan ik nu beschuldigd word.'

U was voorstander van een harde, gedragstherapeutische aanpak. De zogenaamde 'conditionering': goed gedrag belonen, slecht gedrag bestraffen.

' Ik ben niet met de psychoanalyse opgegroeid, Prick geloofde er niet in. In zo'n inrichting is die methode ook niet haalbaar. Ik heb heel lang gedacht dat je de psychiatrie kon opdelen tussen Freud en Pavlov, en ik geloof dat misschien nog wel. Maar van die conditionering ben ik snel teruggekomen. Als je dat goed wilt doen, moet je het veel rigoureuzer aanpakken, een totaal andere wereld scheppen. Wel heb ik altijd gezegd: sociale aanpassing staat voorop. Ze moeten zich wassen, eten, naar school gaan. Als je daarover steeds moet ruzien, kom je niet meer toe aan behandeling.'

Er is lange tijd stevig gestraft: isoleercellen, platspuiten. Daar gingen de zwartboeken van de Belangenvereniging Minderjarigen steeds over. Ook de commissie Dijkhuis die de Heldringstichtingen in 1976 onderzocht, was daar kritisch over. .. spijt? Ik heb het gedaan omdat het met de tijd te maken had en omdat ik als psychiater helemaal met de Stichtingen verweven was. Agressieve kinderen die enorm te keer gingen, anderen aanvielen, met de kop tegen de muur bonkten, werden in andere inrichtingen afgevoerd. Ik heb gezegd: we houden ze toch. Ik kon iemand zonder risico's platspuiten omdat ik op het terrein woonde en ik de zaak voortdurend zelf in de gaten kon houden.

' Als alles goed liep, zag niemand mij. Dat was bij het merendeel van de kinderen. Maar bij die tien procent waar problemen mee was, werd ik steeds gehaald. Vergeet niet dat ze niet voor niks naar Zetten kwamen, Zetten was een inrichting voor inrichtingen. We kregen soms kinderen van veertien die dertien keer overgeplaatst waren. Die zeiden: jij krijgt me ook niet klein.'

En dan spoot u ze klein.

' Ja, want als je dat goed doet, lukt het je wel om ze kalm te krijgen. Maar daarmee heb ik in het pedagogische veld een psychiatrische macht gegooid. Ik denk achteraf dat dat hele vreemde gevoelens heeft opgeroepen. Ik ben ervan overtuigd dat de groepsleiding met mij dreigde: als je niet ophoudt, ga je naar Finkensieper. Ik heb ook veel isolaties zelf gedaan.'

Waarom heeft u niet meteen aan die situatie een einde gemaakt toen de eerste klachten opdoken?

' Dan had ik moeten gaan, en dat heb ik niet kunnen opbrengen.

' Inmiddels wordt er al jaren niet meer geisoleerd op de orthopedagogische afdeling. Bij de psychiatrie kan het echt nodig zijn. De laatste jaren heb ik ook niet meer gespoten. Met alle problemen vandien. Want het probleem is niet opgelost als je niet meer isoleert of spuit. Die kinderen gingen toen naar het politiebureau, of ze moesten op straat worden gezet waar ik vreselijke moeite mee had.'

Veel van de klaagsters tegen u zijn na twintig jaar nog steeds in behandeling.

' Ja, die hebben geen goed leven. We hebben op ze geduwd - al of niet met spuiten -, we hebben getracht ze op te voeden, en het is naar als dat niet lukt.'

U heeft verklaard dat voor 1985 nooit seksuele mishandeling door u ter sprake is gekomen. Dat vind ik een halve waarheid. Volgens verklaringen van derden hebben meisjes al vanaf de beginjaren zeventig hierover geklaagd. Het is alleen niet in de openbaarheid gekomen.

' Dat is vooral een kwestie van: die zegt tegen die wat er gebeurd is. Daar verzet ik me tegen. Veel mensen die centraal staan in de inrichting - de huisarts, enkele paviljoenshoofden - zeggen dat ze nooit iets gemerkt hebben. Ook in het rapport van de commissie Dijkhuis die uitgebreid met de kinderen gepraat heeft, staat niks.'

Heeft u het gevoel dat er een campagne tegen u gevoerd wordt? ..heel duidelijk. Bij een van de laatste demonstraties tegen mij, in l985 toen ik algemeen directeur was geworden, riep een groep uit Nijmegen tegen mij: 'We zullen je nog wel krijgen'. Ik weet ook zeker dat sommige klaagsters elkaar kennen uit de inrichting. Ik kan het niet hard maken, maar als al die klachten opeens tegelijk loskomen, denk je: het is wel toevallig. Ik ben de klaagsters steeds meer als een blok tegenstanders gaan zien, met Annie Bijnoord als woordvoerder. Ik kan me haar niet echt herinneren uit de inrichting, en feiten in haar boek kloppen ook niet.'

Uw positie wordt extra verzwakt doordat u een relatie met een patiente uit uw privepraktijk blijkt te hebben gehad. Ze heeft brieven van u laten publiceren waarin u zichzelf 'verslaafde Theo' noemt: verslaafd aan seksspelletjes.

' Ik had het niet moeten doen, ik heb geprobeerd me daaraan te onttrekken, maar dat is niet gelukt. Ik was moe, doodmoe. Door de voortdurende strijd rond de Stichtingen. Ik had in '85 niet meer aan dat algemeen directeursschap moeten beginnen. Wat betreft die brieven: ik wil in het midden laten waarom ik ze geschreven heb. Je schrijft brieven om een bepaalde reden, maar dat betekent nog niet dat dat alles over je zegt. Dat zij ermee naar de pers is gelopen, was een wraakactie voor wat er verder tussen ons gebeurd is.

' Ik weet dat ik me hierdoor bijzonder kwetsbaar heb gemaakt. Maar ik hou vol dat ik niet gedaan heb waarvan ik strafrechtelijk beschuldigd word. Ik ben niet geheel verbaasd dat ik veroordeeld ben, ik ben wel verbaasd over de hoogte van de straf.'

Ik heb begrepen dat u met meer expatienten relaties bent aangegaan. ..Ik wil daar omwille van mensen niet verder op ingaan... nee. Ik weet niet of je dat kunt omschrijven als expatienten... '

Heeft u een beeld van uw toekomst?

' Ik wil beroepsfilosoof worden. Ik kan gaan schrijven. Ik ben nog niet aan m'n end, al zijn er een hoop mensen die dat hindert. Ik vind het verschrikkelijk wat me gebeurt, het is ook jammer dat ik mijn goede diagnostische en gezinstherapeutische vaardigheden niet meer kan gebruiken. Maar dat is nu eenmaal zo: dat heb ik mezelf uit handen geslagen.'